Advaita Vedanta

Een onderzoek naar je ware natuur

 

Satsang

16 november 2003 in Heerenveen

De vierde toestand

Ik ken drie bewustzijnstoestanden: waken, slapen en dromen.
Het wisselen van deze drie toestanden wordt waargenomen
door iets wat zich aan die toestanden onttrekt.
Blijkbaar ben ik datgene waarin die drie toestanden verschijnen.

Wat hebben deze drie toestanden gemeenschappelijk?
Bijvoorbeeld dat ze worden waargenomen.
Het zien van de toestanden is de grootste gemene deler.
Als ik een klein stapje terug doe, kom ik uit bij het waarnemen zelf,
in plaats van het waargenomen.
Bij slapen (zonder dromen) is
dat misschien nog wel het moeilijkst te snappen.
Hoewel daar geen objecten worden waargenomen
staat het kennen toch aan.
Zodra iemand een schreeuw geeft,
word ik wakker en dat zou niet kunnen
als er geen waarnemen was in de droomloze slaap.
Dat kennen zonder meer
zou je een soort vierde toestand kunnen noemen.
Ben ik dan het kennen zelf en niet datgene wat gekend wordt?
Nee, ik kan nog een stapje verder terug.

Daarover misschien meer op de satsang?

De satsang

JK: Op de flyer heb ik een tekst geschreven die wellicht als uitgangspunt kan dienen.
Als je daarover iets wilt vragen, dan kan dat. Het kan ook over iets anders gaan, zolang het maar gaat over zelfonderzoek dan is alles welkom. Ik ben slecht in het houden van lange verhalen. Het moet van jullie komen vandaag.
Wie mag ik het woord geven?

Vr: Het verhaaltje dat je hebt geschreven had een open einde. Wat was dat open einde?
A: In het kort: wij ervaren drie toestanden in het bewustzijn: de waaktoestand, de droomtoestand en de slaaptoestand zonder droom.

Vr: Dan was er nog een.
A: Het verhaaltje gaat min of meer over de vierde toestand. In het geval van die vierde toestand is het woord toestand niet zo toepasselijk. Het is iets wat die drie toestanden gemeenschappelijk hebben: het Zien zelf; ze worden waargenomen. Ik zie de wakende toestand, de slapende toestand en ik zie de droomtoestand. Dus als je gaat kijken wat de grootste gemene deler zou kunnen zijn van die drie toestanden dan kom je uit bij het waarnemen zelf. Dat zou je een soort vierde toestand kunnen noemen. Waarom noem ik dat een vierde toestand, omdat er iets is dat nog dieper gaat. Daar gaat het verhaaltje over op de flyer.
In India noemen ze de vierde toestand turya. Het is daarom zo’n goed verhaal, omdat je meteen de aandacht terugtrekt uit de wakende toestand. Het is eigenlijk een verkorte weg. Je bent weg uit de gedachten, gevoelens, noem maar op. Je zit meteen al bij het waarnemen zelf. En dan zit je al heel dichtbij de ontdekking van wat je bent.

Vr: Dat lijkt me wel overweldigend.
A: Ja.

Vr: Dan wordt er niets meer gezegd.
A: Precies. Advaita is ook een soort stoomcursus in Wie ben ik.

Vr: Ik ben er wel in bekend.
A: Er zijn heel veel cursussen te vinden op het gebied van: zelfverbetering. Maar niet zo heel veel cursussen die gericht zijn op ZELF-ontdekking.
Advaita is eigenlijk een van de weinige stromingen die er op uit is zich zelf overbodig te maken. Met een cursus zelfverbetering kun je eindeloos doorgaan.

Vr: Die vierde toestand, daar is eigenlijk geen moer over te vertellen.
A: Ja, maar dat is eigenlijk ook de bedoeling: dat we zo snel mogelijk zijn uitgepraat (gelach). Dat vind ik altijd heel goed nieuws wanneer de mensen zeggen, nou dan is er toch niks meer…

Vr: Hoe kom je in die vierde toestand?
A: Het is veel meer het ontdekken dat je er altijd al geweest bent, dan dat je in een nieuwe toestand terecht komt. Stel dat ik de illusie heb dat ik een vrouw ben. U bent plastisch chirurg. U ziet u meteen dat ik een vrouw ben. Dan ga ik u vragen: “Wilt u een man van mij maken? Hoe word ik een man”. U gaat mij niet opereren. U legt mij uit dat ik dat al ben. U vertelt mij dat er een misverstand in het spel is. Zo is het bij zelfonderzoek ook. Ik kom niet in de toestand terecht dat ik een man ben. Ik ontdek dat ik nooit anders ben geweest.

Vr: Ik ervaar die vierde toestand nog niet. Hoe kan ik die dan toch ervaren?
A: Die vierde toestand is eigenlijk geen toestand. Het is ook geen ervaring. Het is waarnemen op zich en geen ervaring. Een ervaring wordt waargenomen. Die wordt gezien in het licht van het waarnemen zelf. Het is als een zaklamp die op een stoel schijnt. Je ziet die stoel dankzij het licht. Die ervaring is dus een stoel. Je vergeet heel snel het licht zelf. Als ik ergens op schijn in het donker, dan zie je wel de objecten. Hier bijvoorbeeld zie ik geen licht in de zaal. Ik zie dat ik wat mensen zie, maar dat licht is er natuurlijk wel, anders zou ik jullie niet kunnen zien. Daar gaat het om. Als je heel duidelijke dingen wilt, tastbare dingen, dan kom je uit op het gebied van de objecten, iets bereiken, iets worden, of zo. Wanneer je op zoek bent naar je zelf kom je hoe langer hoe meer met lege handen te staan. Je ontdekt dat je niks meer kunt vastpakken.
Dat lijkt in het begin heel eng, maar het is je redding. Het betekent dat je totaal onafhankelijk bent.
Als ik iets kan bereiken, dan heeft het een begin. Ik kan dan zeggen op 16 november heb ik dat & dat bereikt. Zodra iets een begin heeft, moet het ook weer een eind hebben. Het is een eindig iets geworden. Maar mij zelf bereiken is niet in een toestand komen; het is ook geen houding. Het is ontdekken van wat is. In mijn geval: ik heb geleerd te geloven dat ik een rijtje gedachten ben tot ongeveer mijn 25-ste. Als je er van uit gaat dat rijtje gedachten iets te laten bereiken, dan krijg een heel gekke situatie.
Ga ik bijvoorbeeld kijken naar de slaaptoestand: het rijtje gedachten is verdwenen. Toch zie IK nog altijd de drie toestanden van waken-slapen-dromen. Wat is datgene dat dat waarneemt: niet dat rijtje gedachten. Dat is niet de waarnemer, die kan blijkbaar verdwijnen terwijl ik er nog steeds ben. Dus als we gaan proberen om verlichting te bereiken voor een rijtje gedachten, voor een persoonlijkheid, dan bouw je op drijfzand. Bij de vragen van ik kan niets doen / ik kan wel iets doen om bewust te worden zou je eigenlijk een stapje terug moeten doen om te ontdekken dat het niet gaat om wel iets doen of niet iets doen of dat je iets moet doen.

Vr: Is er wel iemand die (n)iets doet. Is het niet veel meer zo dat dingen vanzelf gebeuren?
A: We zijn gewend om te denken: “Ik doe iets.” We zijn helemaal niet gewend om de dingen te zien zoals ze zijn en te ervaren dat er iets gebeurt en dat er een rijtje gedachten wordt waargenomen. In feite is dat wat er echt gebeurt. Ik ervaar nu een stoel en ik ervaar dat er gepraat wordt en dan zou de logische gedachte zijn: “Jan Koehoorn is aan het praten.” Maar die illusie is hier al heel lang geleden opgelost. Wat er gebeurt in feite is: je hoort geluid en je neemt een serie gedachten waar over Jan Koehoorn en er wordt dan op een of andere manier een verbinding gelegd die niet bestaand is.

Vr: Hoe raak je die illusie kwijt?
A: Zien dat het een illusie is en hij hoeft ook niet eens weg.
We maken een illusie werkelijk door hem weg te wensen.
Hoe raak je van je schaduw af?
Dat kan niet, maar je hebt er ook geen last van. Hij kan je toch niet beïnvloeden.
Een illusie is een illusie. Klaar. En hij hoeft niet weg. Dat is de ontdekking, hè?
Ik kan dat zeggen, maar zo lang je nog niet echt weet dat het illusie is dan merk je dus dat er neigingen zijn om die illusie weg te wensen.
Je hoeft alleen maar even te kijken: “Wat gebeurt er eigenlijk?” Er worden verbindingen gemaakt, gedachten die denken dat iets werkelijk is en dat ik daar vanaf moet. Dat gebeurt allemaal in mij.
Dat is in feite alleen maar wat er gebeurt. Je ziet vervolgens wellicht ook een aantal gedachten die zeggen: “Dat moet anders.” Bij mijn onderzoek is gebleken dat ik niet dingen bewust kan laten opkomen of zorgen dat ze niet opkomen. Ik kan het alleen maar zien. Zodra het er is zie ik het en zodra het weg is zie ik het niet meer. Hoe kan ik daar nu tussen komen als persoon om daar invloed op uit te oefenen en terwijl die persoon iets is dat waargenomen wordt. Toch ben ik niet een soort machteloos ik. Doch: Ik ben de voorwaarde voor alles. Alleen ik kan geen invloed uitoefenen. Ik kan het niet regisseren. Ik kan het alleen maar zijn en zien.

Vr: Zolang je nog denkt dat je invloed kunt uitoefenen zit je er naast?
A: Dat helder zien, dat je er naast zit, dat is genoeg. Wanneer je het niet ziet zul je vele strategieën tegen komen om zaken te veranderen, maar daar kun je ook weer niks aan doen.
Als dat zo zou zijn, dan waren ze al uit je leven verdwenen. Voorbeeld: Ik kan niet besluiten om de komende tien minuten in leven te blijven. Hoe denk ik dan in vredesnaam, dat ik de komende week kan beïnvloeden? Dus dan is het volkomen spontaan allemaal. Er is ook niet een soort ik die dan iets loslaat en zegt: “Ik heb het geaccepteerd of zo.” En zelfs is niet iemand die zegt: “Ik heb het gezien.” Wat er ontdekt wordt is dat gedachten/gevoelens geen eigenaar hebben.
Realisatie is ook geen prestatie, want er is niemand die wat presteert. Ja of nee toch?
Het is uitlijken met goeroes, want je hoeft ze helemaal geen gelijk te geven. Je hoeft ook niet te onthouden wat ik zeg. Het gaat er meer om te kijken ~hoe het mij gegaan is ~ Heel af en toe wordt je door iets geraakt: een her-kenning van iets wat je eigenlijk al weet dat even heel even duidelijk wordt uitgelegd. Die her-kenning is mogelijk omdat je al weet wat je bent.
Dat heeft dus niks te maken met, dat mij moet citeren later of dat je het goed moet onthouden of wat dan ook. Het gaat om die herkenning zelf. Het is een flits van inzicht zonder gedachte. Daar kunnen later wel weer allerlei gedachten overheen komen. “Hoe zat het ook al weer?“ Dat inzicht was er! Daar gaat het om bij satsang.

Vr: Verblijven in het Nu, is dat een goede oefening? Helpt dat dan ook om in die situatie te komen?
A: Dat kun je een tijdje doen als oefening tot dat je ziet dat het Nu in jou verblijft. Dus ik kan helemaal niet in het Nu verblijven. Alles wat Nu gebeurt, gebeurt in mij. Ik kan ook niet in het Nu leven, Nu leeft in mij. Ik kan ook niet uit het Nu. Het Nu verdwijnt uit mij wanneer ik ’s nachts ga slapen en niet droom is er geen besef van NU, geen besef van tijd. Met in het Nu leven bedoelen de meeste mensen: niet denken. Dus je gedachten laten oplossen. Als die momenten er wel zijn, kun je ze herkennen voor wat ze zijn en vervolgens onmiddellijk weer vergeten. Geen gedachten hebben kun je niet oefenen. Het treedt namelijk altijd op, als je er helemaal niet mee bezig was.
Je begint bevoordeeld als mediteerder en op een gegeven moment is het zo leeg en degene die aan het mediteren was is allang weg. Of degene die probeerde dat inzicht te laten ontstaan was even helemaal niet aanwezig. Maar daarvoor hoef je niet te gaan mediteren, dat kan in de loop van de dag ook. Het kan ook als je heel erg verliefd bent of van iemand houdt, dan heb je die momenten heel veel. Je denkt dan vaak dat het door die ander komt. Het is alleen maar zo; het verdwijnen van: Je wilt dat de dingen anders zijn dan ze zijn. Het verdwijnen van het projectiemechanisme eigenlijk. Het projectiemechanisme begint na een tijdje weer als je vriend of vriendin zich anders gaat gedragen dan je verwacht en dan geef je ook die ander weer de schuld. Zo gaat het vaak. Het heeft niets met die ander te maken. Er is helemaal geen ander. Je ziet alleen maar jezelf. Daarom is het zo leuk om te kijken naar de vierde toestand om te weten dat die er is. De grootste gemene deler in waken-slapen-dromen.

Nisargadatta zei altijd: “Richt je altijd op IK-BEN.” Dat is een manier om te ontdekken dat je een stap terug kunt doen. Dus dat je niet in die objecten zit, dat ze in jou zitten. Maar het zijn uiteindelijk allemaal trucjes. Aan het eind ontdek je dat. Als je heel veel geluk hebt dan zijn er een paar mensen die dat meteen aan het begin kunnen zien. Maar dat is zo zeldzaam. De meeste mensen hebben baat bij adviezen, tips. Dan krijg je een soort oefenen, dat kan niet anders. Belangrijk is om elke keer weer terug te gaan naar de basis. Op satsang spreek ik heel weinig over psychologische zaken. In het dagelijks leven ervaar ik dat mensen daar juist heel graag over praten. Dat is bij mij altijd heel lastig (gelach).

Voor mij is het niet lastig maar ik merk, wanneer mensen een verhaal afsteken van meer psychologische aard, dan praat ik wel een beetje mee hoor. Ik ben wel een beetje beleefd. Eigenlijk interesseert het me niks. Ik zeg meestal: “O ja? O?” (gelach) Dat heeft tot gevolg dat ik op feestjes altijd alleen zit (gelach). Ik heb wel andere interesses, hoor.

Vr: Het zien zelf is dus helemaal niet persoonlijk.
A: Precies. Dat heeft geen eigenaar.

Vr: Je kunt het dus ook niet bereiken.
A: Nee, wat je bent kun je niet bereiken. Als ik in Amsterdam zit, kan ik niet in Amsterdam komen. Ik ben er al.

Vr: Nisargadatta heeft gezegd IK-BEN; doch hij zei tevens: “Dat is het ook niet.”
A: Precies.

Vr: Is dat dan de wortel van de illusie? Kun je daar iets meer over vertellen?
A: Het is eigenlijk een soort handreiking. Je moet toch ergens beginnen. In theorie zou het genoeg kunnen zijn dat iemand hoort: “Ik ben absoluut bewustzijn,” zoals Nisargadatta het noemt. Maar dat is ~zoals ik net al zei ~ zo verschrikkelijk zeldzaam. Het boek “IK BEN” is eigenlijk een soort opstap van tweedehands informatie naar eerstehands, naar “ZIJN”. Ik ben Jan Koehoorn, dat heb ik ooit te horen gekregen van andere mensen. Dat is informatie die ik niet zelf heb gecontroleerd, maar die ik heb aangenomen, dus tweedehands.

Vr: Is het ZIJN ook weer een vervloeiing in NIET-ZIJN?
A: Ja, maar het is verschrikkelijk moeilijk om daar nog duidelijke dingen over te zeggen.
Het is ongeveer te vergelijken met dat je aandacht helemaal gefixeerd is op een schaduw van iets. Dat zijn dus de gedachten: “Ik ben Jan Koehoorn” een soort reflexie. Op een gegeven moment ontdek je dat wanneer die schaduw er is dan moet hij ook ergens vandaan komen. Hij heeft te maken met iets zichtbaars, iets eerstehands. Die schaduw is dus een afgeleide. Dan kom je dus op IK-BEN terecht. Een boom of zo met een schaduw. En dat IK-BEN is ook weer een schaduw van het licht wat de boom beschijnt. Dus de vierde toestand – het waarnemen. Het licht heeft ook weer een bron, de zon. In het voorbeeld van Nisargadatta: Absoluut Bewustzijn.

Vr: De mens kan dat eigenlijk nooit zien.
A: Hij kan sowieso niks zien. Hij wordt gezien.

Vr: En ook eigenlijk niet zijn?
A: Nee, nou ja, je bent het wel, maar je bent ook alles. Je bent niet alleen maar dat. Je bent niet beperkt tot DAT, dus die gedachtes over het lichaam en de persoonlijkheid.

Vr: Je kunt JE wel helemaal schrappen?
A: Eigenlijk wel, maar dan krijg je zeer ingewikkeld Nederlands. Dan zit je op de bank thuis en dan wordt er gekookt, want er is honger.

Vr: Je kunt er haast niks meer over zeggen, maar wat kun je er nog over zeggen?
A: Wat zou je er over zeggen? Ik kan de hele dag roepen dat de lucht blauw is. Dat weet je op een gegeven ogenblik. Dan hoeft dat ook niet herhaald te worden. Ik zeg vaak tegen mensen: “Kijk naar dat wat vaak lijkt terug te komen.” Dus de gedachtes over jezelf, bijvoorbeeld. Dat zijn de dingen die je niet gesnapt hebt. Iets wat onduidelijk is komt altijd terug, of lijkt terug te komen. Als het duidelijk is, dan hoef je niet de gehele dag te roepen: “Ik ben een man. Ik ben een man. Ik ben een man. Lengte 1 meter 92.” Wat duidelijk is, is gewoon weg. Wat opgelost is dat heb je gesnapt. Op satsang gaat het er niet om dat je alles onthouden hebt. Het gaat er echt om dat je twijfelloos bent over je ware natuur. Geen vragen meer? Heel saai; toch naar satsang gaan en je dood vervelen. Dat heb ik namelijk ook een tijdje gehad.

Vr: Het punt dat je twijfelloos bent; hoe heb je dat ervaren?
A: Het is een soort mijlpaal in je bestaan. Ik heb geen spreuk aan de wand hangen in de kamer, maar ik weet het nog wel. Je gaat niet naar je leraar wanneer je denkt dat het gesnapt hebt en ik blijf nu maar eens een tijdje weg. Het is duidelijk. Bij mij was het zo dat ik getuige was van een proces waar ik niks aan kon doen. Ik zou zelfs niet meer terug hebben gekund. Ik ontdekte dat ik geen invloed meer kon uitoefenen in de zin van: “Nou ga ik er maar eens mee stoppen of zo.” Het was ook niet allemaal van jippieajee en wat gaat het allemaal lekker. Meer een soort sneeuwbal-effect en toch ging het door. Het mondde niet uit in een flits van: “Ik zie het! Woeps!” zoals je wel eens leest. Het was meer een periode en op een moment was het duidelijk. Je merkt dan dat alle twijfels en projectiemechanismen weg zijn. Net zoals het droog is na een regenbuitje. Je hebt niet de laatste druppel "PLOP" horen vallen. Het is gewoon droog. En geen twijfel, absolute twijfelloosheid. Ik heb ook vaak genoeg op satsang gezeten dat ik al wist wat er gezegd ging worden.

Vr: Hier worden ook nog steeds vragen gesteld.
A: Natuurlijk, die moet je ook stellen.
Ik heb een tijdje gehad dat ik een soort slimme satsangbezoeker was. Eerst weet je niks en op een gegeven moment weet je het wel. Maar ook merk je dat je daar niks aan hebt.
Het ego is slim wat dat betreft. Alle spelletjes houden op.
Ik kan niet aan iemand zien of hij het gesnapt heeft. Ik kan hooguit aan iemand zien of het niet gesnapt heeft. Dat merk je namelijk aan de vragen die er komen.

Vr: Was het bij jou een soort groeiproces, dat er langzaam uitkabbelde?
A: Ja.

Vr: Hans Laurentius zei dat de appel van de boom valt als hij rijp is. Bij mij viel hij en ging een paar maal weer terug. Je zou kunnen zeggen dat iedereen zijn eigen proces heeft?
A: Ik weet eigenlijk niet hoe dat gaat.

Vr: Soms is er zeer levendige ervaring, zoals bijvoorbeeld: er is niks meer te doen en op het andere moment zit je er weer dik in. Dat noem ik dan jo-jo-en of wip-wappen.
A: Dat moet je maar eens bij Weight Watchers gaan vragen, daar weten ze er alles van (lachen!!!!). Maar inderdaad, dat schijnt ook bij zelfonderzoek te kunnen gebeuren. Maar de echte realisatie is onomkeerbaar. Iets wat geen begin heeft, kun je niet omkeren.
Ik vraag wel eens aan mensen: “Ga nu de volgende week eens doen alsof je gerealiseerd bent. En kijk dan eens wat je mist.” Stel dat je geen slag om de arm meer hebt. Het is gebeurd. Let er eens op wat je dan mist. Misschien zit er ergens nog een relschoppertje.

Vr: Ja, maar wat moet ik dan doen?Het is dan zo saai en dan vraag ik me af hoe ik dat nou saai kan vinden. Er moet toch vrede zijn, daar moet je genoeg aan hebben.
A: Ja, als maar die vrede (ha-ha!!) Dat is ook maar zo saai (ha-ha!!)

Vr: Nou begin ik al weer te lachen. Ik begrijp er niets van.
A: Het is wel zo, dat het spelletje wat ik dan leven noem, dat gaat hier (bij JK) hier natuurlijk ook verder. Maar ik weet dat het een spel is en daarom kan ik er juist met volle teugen van genieten. Ik kan best nog wel in een baldadige bui zijn of een beetje gein trappen.
Het is net als in een toneelvereniging: we weten allebei dat we toneel spelen. We hebben onze tekst, we zeggen hem zo goed mogelijk op en we proberen zo goed mogelijk te spelen en dat is juist de fun. Je vergeet op een gegeven moment dat het een spelletje is.

Vr: Dan moet je ook wel een toneelspeler tegenover je hebben, dan weet je tenminste dat je toneelspeelt, want anders is het niet zo leuk meer.
A: Voor mij maakt dat het juist nog veel leuker (gniffelen).

Vr: Dan heb ik het gevoel dat je met een duveltje speelt.
A: Ja, maar bij regelt zich het in elk geval heel prima.
Als ik op een gegeven moment dat mensen zich echt op hun ziel getrapt voelen of zo. Nou, dan zeg je toch gewoon: “Sorry". Wat maakt dat nou uit. (Gegniffel in de zaal.)

Vr: Tja ik ga dat toch nog steeds zielig vinden. Dat is een persoon die het zielig vindt, toch?
A: Het is niet aan mij om mensen, als een preker, dingen op te gaan leggen, waar ze niet uit zich zelf al in geïnteresseerd zijn.
Ik ga niet mensen uitleggen, ehh, nou ja je voelt nou wel beledigd of weet ik veel, of in je kuif gepikt. Dat zit niet in mij. Bij mij begint het pas als iemand naar mij toekomt en zegt dat hij hier-en-daar mee bezig is en vervolgens zegt ie dat ik het licht gezien heb en daar wel iets over wil vragen. Alexander Smit heeft ooit gezegd: “Gerealiseerden zijn spionnen van God.” Zij gaan echt niet langs de deur met een blaadje in de hand en een kindje op de arm.

Vr: Ik heb moeite met grenzen. Het is voor mij een heel gestoei. Wat betekent het voor jou: grenzen?
A: Grenzen treden nog steeds op. Je denkt dat dingen een eigenaar hebben. Het verbinden van een eigenaar aan objecten is het hele probleem van de zoeker. Je zou ook kunnen zeggen: “Ik zie dat er met grenzen gestoeid wordt.” Dan is die “ik” eruit. Dan zeg je nog wel: ik zie. Helemaal vertaald zou je kunnen zeggen: Er is het gewaarzijn van het stoeien met grenzen.

Vr: Ja, ik heb een tijd gehad, dat ik er niet aan vast zat. Het werd ook allemaal grenzenloos. Alles wat mij gebeurde en aangedaan werd, verscheen en verdween weer. Dat had ik bij een ander ook zoiets en zou iemand zo tegen de schenen kunne trappen en vervolgens zeggen: Er is toch niemand die pijn heeft.Dat bedoel ik met grenzen. En aan de ene kant als je ontzettend rekening houdt met anderen ~ wat ik ook in me heb ~ daar voel ik dan in gevangen en de andere kant, dat is het ook niet.
Dat is mijn vraag.
A: De fout die je maakt is dat je denkt dat het in de ene of de andere manier zit. De grootste gemeenschappelijke deler in beide manieren is waar het om gaat. Ik ga niet, omdat ik gerealiseerd ben en wat er gebeurt toetsen aan mijn mate van inzicht. Ik ga niet op de toer: er gebeurt nou dit, dus … heb ik het blijkbaar niet goed gezien. Als ik iemand anders tegen zijn schenen schop is dat geen bewijs voor dat ik gezien heb dat alles bewustzijn is. Ik maak dus geen plan en de scheidsrechter is ook helemaal weg. Er is geen beoordeling over wat er gebeurt. Het kan niet zo zijn van: iemand zegt wat.. ik word kwaad.. Dan heb ik het blijkbaar nog niet begrepen. Wat er in die film gebeurt, kan mij toch niet beïnvloeden. Geen enkele golf kan de zee beïnvloeden. Geen enkele film kan het doek beïnvloeden. Er kunnen zelfs gedachten op komen als: "blijkbaar ben ik nog niet gerealiseerd". Zelfs dat kan die realisatie niet verstoren. Het is ook niet zo, dat er dan heel erg hard om moet lachen of zo. Het maakt eigenlijk niet uit wat er gebeurt. Maar dat is geen onverschilligheid hoor! Het is werkelijk zo: dat het niet uitmaakt; er is geen beoordeling. De gehele regisseur is nog gezien als een acteur. Wat er bij jou waarschijnlijk aan de hand is met de film en het filmdoek: er zit toch nog iets van een regisseur in de zaal. Die zit eigenlijk ook in de film. Het is belangrijk om dat slechts even te zien.

Vr: Wanneer ik op je website je advaita-aforismen lees en ik hoor Jan van Delden of jou dan her-ken ik dat en dan is het net of er op de achtergrond in mijn mind iemand zegt: Ja, ja je herkent het wel, maar jij (ik dus) kan mooi lullen jongen. Het is net of dat persoontje er tussenkruipt. Ook wanneer ik ook jou hoor en wat ik lees, kan ik telkens: JA-zeggen. Wat is dat?
A: Het gaat om zelf-herkenning. De autoriteit ligt zeker niet bij Jan van Delden en zeker niet bij Jan Koehoorn. Wat je ontdekt: dat wegwijzertje "Amsterdam" is niet Amsterdam zelf. Het is een wegwijzertje. Als jij weet waar Amsterdam is en als je dan er heen rijdt dan zie je wel die wegwijzertjes en je zegt dan niet: “Is dat nou Amsterdam?” Natuurlijk niet. Je zou ze ook om kunnen hakken als je het eenmaal weet. Je hebt ze dan echt totaal niet meer nodig: geen Jan van Delden, geen Jan Koehoorn. De enige autoriteit ben je zelf, als het gaat om wie je bent.
Maar ja IK vond die wegwijzertjes af en toe toch wel heel handig (lach-lach).

Vr: Ik ook, daarom zit ik hier ook weer (lach-lach-lach).
A: Maar waar het inderdaad om gaat is de ontdekking dat je ze niet nodig hebt, uit-eindelijk.

Opmerking vanuit de groep: Dit is zo schitterend. De vraagsteller demonstreert wat Jan duidelijk tracht te maken. Want uw woorden in het begin waren:”En dan zie ik me denken.. ja mooie praatjes..“
Dan heb je nog een soort geestgerichtheid naar het denken, maar als je dat nou probeert om te draaien naar dat geen wat het denken ziet. Het denken verschijnt … en dan is het er even niet. Dat gaat zo snel.
A: Ja. Waar het om gaat is dat de waarheid geen eigenaar heeft. Er is trouwens geen guru die dat zal proberen je wijs te maken. Je zult mij nooit horen vertellen dat Jan van Delden het heeft gezien of Jan Koehoorn het heeft gezien. Er verschijnen allemaal wegwijzertjes en spreuken en slimme constructies en maniertjes om het nog eens anders uit te leggen en met mooie metaforen. Mijn leraar zei wel eens een keer: “Eigenlijk is het Brinta, maar heel veel mensen krijgen op zich Brinta heel moeilijk weg. Dus je doet er wat melk bij, misschien een beetje suiker.” Dus je geeft nog eens een ander verhaal, nog eens een mooiere spreuk. Je gooit er nog eens een advaita-aforisme tegen aan, bijvoorbeeld.

Vr: U zegt:”Je bent bewustzijn”, dat komt bij mij zo passief over. Er gebeuren zaken in mijn leven die mij raken. Ik heb moeite om dat los te laten of om voorbij te laten gaan, zonder daar iets mee te doen.
A: Ik zeg er heel vaak bij dat je niets hoeft te doen hetgeen betekent, dat je ontdekt dat er niet iemand is die iets kan doen. Ik bedoel daar niet mee, dat er een iemand is die niets doet.
Ik bedoel er mee dat er niemand is die iets doet.
Het is een vrij ingewikkelde constructie, maar let wel waar het op neer komt: Niets doen is geen kwestie van luiheid. Je kunt een marathon lopen en ontdekken dat er niemand is die iets doet. Het gaat er om te ontdekken dat er niemand is die iets doet of laat. Stel dat ik dit verhaal verkeerd begrijp. Ik ga thuis rustig op de bank zitten en voer niets meer uit. Dat is dus een plan, er is een iemand die zich voorneemt om lui te zijn en verwacht als beloning daarvoor realisatie.
Dan ben je toch iets aan het doen. In die zin is iets laten hetzelfde als iets doen. Je hebt een strategie bedacht. Waar het om gaat te ontdekken dat er niemand is die iets kan doen of kan laten. Mijn advies aan mensen die twijfelen of er wat te doen valt of dat er niks te doen valt is altijd: “Werk je helemaal uit de naad!” Dan kom je er achter dat er helemaal niets te doen valt. Als je het simpelweg aanneemt, dan heb je het natuurlijk nog niet zelf gezien. Je gaat zitten lui zijn, maar je kunt dan beter keihard werken om te ontdekken dat er niets te doen valt. Die ontdekking is dan namelijk alles doordringend.

Als voorbeeld ‘woede’ in de dagelijkse praktijk. We zeggen: “Ik word kwaad of jij wordt kwaad.”
Maar is het nou echt zo dat die ‘woede’ een eigenaar heeft? Of ben je gewoon getuige van een gevoel en serie gedachten over dat gevoel? Die twee zitten niet aan elkaar vast of zo. Geen eigendomsbewijs met een persoonlijkheid er op. Wat je in de praktijk ervaart: dat je getuige bent van een gevoel en een serie gedachten. Heel simpel. Eigenlijk kom je steeds weer terug op het ontdekken van het aanwezig zijn van de vierde toestand. Het is heel belangrijk elke keer weer dat misverstand te zien voor wat het is. Je verbindt dingen met elkaar die in feite niks met elkaar te maken hebben. In ieder geval hebben ze niets met elkaar te maken op de manier die je dacht.
Gevoel, gedachten. En dan daar een verbinding scheppen en niet zien dat dat allebei gezien wordt. Er is een valkuil waar veel mensen intrappen, dat degene die het ziet zich ook nog op een bepaalde plaats zich zou bevinden.

Als ik op zoek ga waar die vierde toestand zich zou bevinden, dan kom je tot de ontdekking dat ik niks kan vinden en dat is uiterst eng. Want dan is het alsof de grond onder je voeten wegvalt. Daar kun je bijvoorbeeld ook verschrikkelijk angstig van worden. Maar ja, je wilt de waarheid. Je kunt op de vlucht slaan als zoiets op gaat treden, je kunt ook kijken. Vervolgens ontdek je op een gegeven moment dat je niet een plek kunt aanwijzen waar dat waarnemen uit ontspruit. Dat is heel gek. Immers, je hele leven heb je wel aangenomen dat je bepaald bent door plaats. "Ik ben hier," in plaats van: “Ik ben tijdloos en ik ben ruimteloos.” Dat is nogal een aardverschuiving! Ik denk dat het een heel belangrijk moment is in zelfonderzoek. De ontdekking dat er echt niemand is die iets doet of iets laat, dat is niet zomaar een ontdekking.
Het is een geheel andere ontdekking dan dat je € 300,- aan de belasting moet betalen. ’t Is wel even schrikken, maar ontdekken dat er echt niemand is..

Vraag het aan kunstenaars bijvoorbeeld. Zij signeren hun werk wel, maar denk maar niet dat die persoonlijkheid er is op het moment dat er een kunstwerk wordt gemaakt. Het is niet alleen op dat moment trouwens zo hoor. Mijn leraar Alexander zei ooit: “Ego is de clown die applaus voor de acrobaten in ontvangst neemt.” Er gebeurt wat en even later komt het ego: “Olé, hatsiekiedee, dat heb ik goed gedaan!” of andersom: “Dat heb ik stom gedaan!” En nog wat verder in je zelfonderzoek kun je ook nog zoiets krijgen als: “Neeeeee, dat heb ik niet gedaan, want het ego doet niets”. Dan wordt het een soort excuus, maar voor wie? Dat noemen ze dan de advaita-shuffle: alles is immers toch bewustzijn? "Ik kan je gerust in elkaar rammen.. het maakt niet uit.. alles is toch EEN.." Maar voor wie zoek je dan een uitvlucht? Voor welke persoon?
En de laatste ontdekking is: er is niemand die iets doet of iets laat. Er zijn geen excuses, er zijn geen uitvluchten.

Vr: Waar ik nog even mee zit. Je hebt het gemanifesteerde, alles wat waarneembaar is.
Dat komt eigenlijk uit iets wat niet waarneembaar is.
A: Dat is het zelfde, het laatste met vorm.

Vr: Je hebt dan de neiging om te zeggen dat het allemaal illusie is, maar ook weer niet.
A: Ik zeg altijd in plaats van illusie: “Het is veranderlijk”. Het woord illusie heeft vaak een oordeel in zich.

Vr: Het onveranderlijke zit er toch ook weer in.
A: Je moet goed begrijpen dat het niet zo is dat het gemanifesteerde voortkomt of gecreëerd wordt door het ongemanifesteerde. Je kunt het zien als vorm en grondstof. Een boom wordt niet gecreëerd door hout. Een boom is hout met vorm. Golven worden niet gecreëerd door de zee. Golven zijn water met vorm. Er zijn een aantal verdelingen in deze traditie die proberen het geheel duidelijk te maken. Lichaam – denken – voelen of gemanifesteerd – ongemanifesteerd of waken – slapen – dromen. Het zijn allemaal voorbeelden. Als je ze te zelfstandig gaat beschouwen, kom je altijd in de problemen. Het gaat juist om de eenheidsverwijzing als het ware.
Het is niet het een of het ander. Het is niet de golf en de zee; de golven doen de zee niet verdwijnen. De zee is er altijd. Het ongemanifesteerde is er altijd. Zo ook met dualiteit en non-dualiteit.

Vr: Hier geldt ook dat de basis niet in de dualiteit ligt en dat dualiteit op zou moeten houden of er niet mag zijn. Het misverstand ligt in de dualiteit en je moet keer op keer gehoord hebben dat het gedragen wordt door non-dualiteit. Dat het niet anders kan en dat dat je basis is. Dan is die dualiteit niet problematisch meer, daar heb je dan geen conflict meer mee.
Je moet uiteindelijk ontdekken : “Wat is”. Wat “is” dan? Iets wat waarneembaar is?
A: Precies. De rest verschijnt.

Vr: Het is dus eigenlijk een grote kermis, waar je niet bij betrokken bent.
A: Of een heel romantische film. Niet bij betrokken in de zin: "Hier is dit en daar is dat en daar heb ik een relatie mee." De zee is niet betrokken bij de golven. De zee IS de golven. Die scheiding is er niet.

Vr: Dat wil er nog niet in bij mij. Het is een beetje kil, ik ben er niet bij betrokken, hoewel het wel een beetje mijn ervaring is.
A: We gaan net zo lang door. En ik zou willen zeggen en richt je op: “Ik ben alles” in plaats van “Ik ben niets”. Doe dat maar eens een tijdje. Want wanneer je te lang die aandacht richt op die non-dualiteit, op het ongemanifesteerde dan krijg inderdaad: “Dat ben ik niet …. dat ben ik niet …. dat ben ik niet …” Het is veel reëler om te zeggen: “Dat ben ik ook.. dat ben ik ook.. dat ben ik ook.” Anders creëer je immers een scheiding die er niet is tussen gemanifesteerd en ongemanifesteerd. Je zult ontdekken dat naar binnen en naar buiten gaan beide illusies zijn. Het gaat uiteindelijk bij realisatie om integratie, om te zien dat je zowel Alles als Niets bent.

Vr: Mijn hoofd weet het wel.
A: Nee, je weet het al en het vertaalt zich als een gedachte, maar denk niet dat die gedachte het weet. Het snappen zelf is geen denkwerk en er komt altijd een gedachte achteraan. Vervolgens denk je: “Door die gedachte heb ik het gezien”, maar zo zit het niet. Die gedachte is een schaduw, een echo, het ZIEN zelf dat is van JOU. Nou ja, alles is van JOU. Het is altijd zo bij momenten van inzicht, dat daarna een verhaaltje komt en dat kennen we allemaal. De een wat meer dan de ander. Het is belangrijk om te zien dat het sowieso onmogelijk is om in verhaaltjes mee te gaan. Dit is ook weer een ingang, omdat alle ingangen verwijzen naar de ware natuur. Alles wat er verschijnt is een af-spiegeling van mij. Wat er ook maar verschijnt is onmiddellijk een verwijzing naar mijn ware natuur. Het zit veel dichterbij dan de meeste mensen denken. Het komt wel goed.

Vr: Het is al goed.
A: Nou ja, ik stel even een strikvraag.

Vr: Maar het moet even doordringen
A: Dit is ook een strikopmerking.

Vr: O.K. Waarom is dit zo moeilijk om te zien, in elk geval voor mij?
A: Het is ook niet zo heel ingewikkeld natuurlijk, maar ik denk dat er ook veel kracht zit in de herhaling. Het is in feite zo dat je al 30 of 40 jaar verkeerde informatie hebt aangenomen. Wanneer mensen dit verhaal voor de eerste keer horen is de invloed, de impact heel groot, ook bij mij indertijd. Toch is dat blijkbaar niet voldoende voor dat hele systeem van lichaam-denken-voelen om zich in een keer te transformeren.
In de praktijk is het vaak zo dat je een jaartje of tien/twaalf dit onderzoekt. Als je mazzel hebt is het wat korter en als je een beetje pech hebt is het langer, maar daar kun je ook al weer niks aan doen.

Vr: Ik had graag wat willen doen om het te bespoedigen …
A: Ja, ja, dat doe je al (lach). Anders zou ik ook geen satsangs geven. Het is een vreemd iets, satsangs geven, dat kan ik je wel vertellen. Aan de ene kant weet ik dat er niks is wat ik er aan kan doen en aan de andere kant zie ik het toch gebeuren. Het is een reactie op wat er op je af komt en het kan ook niet fout gaan. Het is een wonderlijk verschijnsel. Ik kan het ook niet precies verklaren, waarom we hier zitten. Wie ben ik, om er wat tegen in te brengen? Het gebeurt. Maar moeilijk is het niet.

Het is moeilijker om niet gerealiseerd te zijn dan om wel gerealiseerd te zijn. Bij niet gerealiseerd zijn moet je de gehele dag die persoonlijkheid projecteren. Bij alles wat er gebeurt moet je denken dat het jou schuld is of dat je er iets aan had kunnen doen. Iedereen heeft de ervaring dat zaken veel gemakkelijker gaan als je niet meer de illusie hebt dat jij het doet. Ik weet niet of je sport. Neem als voorbeeld tennis of hardlopen. Er zijn absoluut momenten dat die doener afwezig is en dan gaat alles vanzelf, moeiteloos. Zodra de illusie er is dat jij wat doet , dat je een wedstrijd moet winnen of zo, dan sla je in eens mis. Heel maf.

Vr: Het is zo onbeïnvloedbaar.
A:Precies!

Vr: Je afhankelijk voelen hoe het zal gaan.
A: Wanneer de realisatie plaatsvindt ben je totaal hopeloos, niet wanhopig, want dan hoop je toch nog. Je bent helemaal machteloos en hopeloos. Dat klinkt verschrikkelijk depressief, maar het tegendeel is waar. Je hoop is je ellende. Ik heb weleens gelezen "Hoop doet leven" Dat vind ik de grootste onzin die er is. Hier (bij JK) is helemaal geen hoop en alles gebeurt spontaan.
Het is een rare ontdekking, maar het is niet anders. Het conflictmatige in je leven is dan ineens verdwenen. Het is een raar verhaal. Van te voren denk je: "Hoe moet ik dat ooit zien" en achteraf denk je: "Hoe is het toch mogelijk dat ik het nooit heb gezien." Je kunt het een beetje vergelijken met autorijles. Je snapt niet hoe je hem in zijn vrij krijgt, in het begin. Later denk je er niet eens meer bij na.

Vr: Daar heb ik ook heel lang over gedaan..
A: (Tijdens gelach …) Misschien ben je in dit geval wel een hele snelle.
Over de lengte van het proces van zelfontdekking; dat verschilt zo veel per individu. Toch laat het je niet los. Er is niemand, in ieder geval geen advaitaleraar, die zal zeggen: “Je moet wel iedere keer langskomen hoor!” Ik zal het in ieder geval niet zeggen. Denk niet dat je ineens weer bij de les bent als je weer aan advaita denkt. Het is totaal onafhankelijk van herinneringen aan advaita.
Wanneer er iets heel intensiefs gebeurt in je leven en je bent er met je hele aandacht bij, dan kun je het later allemaal navertellen. Dat wordt allemaal gezien. Alleen het geheugen was even weg, in de zin dat er geen denkbeelden opkwamen. Toch blijkt dat je geheugen prima werkt, want je kunt het later allemaal navertellen. Je weet prima dat je vannacht lekker geslapen hebt. En: geen beelden, geen dromen. Je weet het allemaal uitstekend. Je weet ook dat je niet die persoonlijkheid bent, want anders kon je niet eens gaan slapen, zei ik recentelijk tegen iemand.
Je zou niet durven gaan slapen, omdat die persoonlijkheid verdwijnt. Toch ga je vol vertrouwen heerlijk in je bed liggen en laat je de hele wereld verdwijnen. Eigenlijk ben je getuige van het feit dat de wereld verdwijnt.

Die zelf-herinnering heeft niet met gedachten te maken. Daarom noem ik die droomloze slaap ook nog een toestand. Er zijn dan geen objecten, maar er is wel iets wat wordt waargenomen.
Ik kan je uit die toestand halen door naast je bed keihard een alarmpistool af te schieten.
Dat gewaarzijn is er, dat staat aan. Zodra er wat gebeurt dan wordt het waargenomen. Dan heb je de vierde toestand. Het waarnemen staat aan. We willen dat bereiken op de manier die we al 30 jaar horen, bijv. op school: “Doe je best!” Bij sporten: “Doe je best!”
Dit is allemaal vanuit die persoonlijkheid gedacht. Op je diploma, in je trouwboekje, op je paspoort, op je rijbewijs, staat een naam. Op alles wat er bereikt wordt / lijkt te worden staat een naam.

Vr: Mijn volgende domme vraag: “Hoe moet ik niets doen?
A: "Hoe moet ik niets doen..", dat is een mooie koan.
Is het sowieso wel mogelijk dat ik iets doe? Je zou hem ook om kunnen draaien: "Hoe kan ik iets doen.." Er gebeuren heel vaak dingen zonder dat die persoonlijkheid er is. Dan gebeurt er blijkbaar toch iets. Maar die persoonlijkheid was er niet…”Doe ik dan iets?”

Jan van Delden zegt wel eens: “Groei ik haar? Boom ik? Spijsverteer ik? Regen ik?” Bij dingen die buiten je lijf lijken te zitten is het heel simpel. “Onweer ik? Sneeuw ik?” Maar dan ineens wel: “Ik ben kwaad!” Wat dat betreft zijn gevoelens altijd een probleem, omdat je er een eigenaar aan toekent. Wanneer het idee van die eigenaar doorzien is, is het hele probleem weg. En vervolgens: er gebeurt van alles en ik snap er niks van. Vraagje: “Waar is degene die alles zou moeten snappen?” Wat eerst een onmogelijke opgave lijkt, blijkt in werkelijk ook helemaal niet te kunnen omdat die IK illusie is. Dan wordt het onmogelijk om je voor te nemen om dingen te gaan doen.
Dan is er gewoon ZIEN wat er gebeurt: gevoelens, gedachten.. Dat klinkt heel inactief, maar het bruist, het tintelt, het is leven, het prikkelt. Er is geen scheiding meer in.

Vr: Een beetje beangstigend klinkt het ook. Ik heb de idee dat ik me toch moet verdedigen met alles wat er om me heen gebeurt.
A: Je zult zien, wanneer er iets bedreigends voor het lichaam is ~ als voorbeeld ~ dat het allemaal vanzelf gaat. Als ik oversteek en er komt een auto aan, er wordt getoeterd. Dan laat ik me heus niet aanrijden omdat ik heb gezien dat ik alles ben. Voordat ik het weet maak ik een sprong. Dit is ook weer een voorbeeld dat daarna het denken begint met: “Goh, dat is goed afgelopen. Wat had er niet allemaal kunnen gebeuren.“ Pas dan krijg die adrenaline. Maar op het moment zelf, gebeurt alles vanzelf. Als je een noodstop moet maken voor een overstekend kind, staat je voet op de rem voordat je ook maar verhalen gaat verzinnen. Wat dat betreft geen mislukken mogelijk. Ook geen slagen trouwens. Want er is geen proberen, dingen gebeuren gewoon. Er is een verschrikkelijk goede uitspraak van die schilder met die vier vrouwen, ehhh.. Anton Heyboer. In een documentaire zei hij met een bundel kwasten in zijn hand tegen de producer: “Ik zal vandaag mijn ogen maar openhouden, hè.” Even later zei hij: “Er zijn schilders die proberen iets. Ik probeer niks”. Dan is er ook geen succes of failure. Dan is het HOE ook weg.

Vr: Ik schilder zelf ook en het is wel grappig om het even toe te lichten. Juist wanneer ik iets probeer te maken, dan worden het vaak heel krampachtige dingen, die eigenlijk helemaal niks uitstralen. En op het moment dat iets-wil-maken loslaat dingen ontstaan die mij het meest raken, zonder dat ik er iets voor doe.
A: Het eerste heeft te maken met een kramp, dan is het resultaat krampachtig.

Vr: Deze week dacht ik: “Ik doe niks meer.”
A: Dat is ook een kramp.

Vr: Nu heb ik zoiets van: “Wat nu?”
A: Dat is nu juist de truc. Het hele verschijnsel van “Wat nu? “ dat is er niet. Het gebeurt.

Vr: Ik ben nog een controlfreak. Ik probeer dagen in te plannen, in te vullen. En dan.. Weet je wel ?
A: Inderdaad, maar dat zie je op alle vlakken. Organiseer eens een verjaardag. Op het eerste deel van zo’n verjaardag zit iedereen beetje van eeeh, ja ’t moet wel gezellig worden, anders.. En opeens, door de tijd waarschijnlijk, gaan mensen dat loslaten en dan wordt het gezellig en leuk. Dan houdt het proberen op.

Vr: Het is fascinerend wanneer je de dingen loslaat hoe alles op je pad terecht komt.
A: Dat is inderdaad wonderlijk. Bij muziekmaken gebeurt precies hetzelfde. Als je de illusie van die persoonlijkheid ook helemaal doorzien hebt, dan heb je dat eigenlijk altijd. Dan komt die persoonlijkheid af en toe nog wel eens langs, maar die beinvloedt dan niet meer het gebeuren.
Sinds die realisatie bemerk ik dat het muziek maken ook heel anders gaat. Een foute noot is gewoon een foute noot. Voor de muzikant die een beetje perfectionistisch is ingesteld en ik was dat altijd heel erg, is dat verschrikkelijk. Vooral als je conservatorium gaat doen, want dan is alles gericht op die prestatie. Heel zen-achtig.

Vr: Een leraar zei altijd tegen mij: “Ze weet niet wat ze wil en ze weet niet wie ze is.” Dat is een probleem. (lachen)
A: Ik weet ook niet wat ik wil, maar ik weet wel wie ik ben. Dat is duidelijk de beste combinatie. Niet weten wat je wilt en wel weten wie je bent. Dat werkt het beste. Daarom kan ik je eigenlijk ook niet uitleggen hoe dat zit. Je kunt hoogstens het verschijnsel beschrijven. Je kun niet zeggen als je nou dat doet en dat doet en die voorwaarden schept dan maak je een mooi schilderij. Dan kon iedereen het. De kunst is juist dat er niet een iemand is die het doet en dat het daardoor gebeurt. Het gaat heel vaak zo, dat je eerst een plan hebt, dan ga je zitten. Je gaat aan het werk en gaandeweg vergeet je dat plan en dan gebeurt het. De grote kunstenaars die kunnen dat à la seconde oproepen, die proberen niet meer. Ik maak me sterk dat Picasso eerst weet niet wat moest doen om te kunnen gaan schilderen. Het is soort natuurlijke staat van zijn. Kunst is geen kunstje. Ook een kenmerk is: je denkt niet aan resultaat. Zodra je op het resultaat gaat werken komt het er nooit of het is verkrampt omdat het uit iets kleins gedacht is. Maar nogmaals, dat is op alle vlakken zo. Je kent wellicht van die stellen die aan hun relatie gaan werken. Misschien ben je zelf wel zo een. (ha-ha-ha) Dan krijg je verschrikkelijk krampachtige toestanden.
Je zit ’s avonds op de bank en dan: “Is er wat? “
- “Nee er is niks.”
“Maar je verbergt ook niks? Je durft nu alles tegen mij te zeggen?”
- “Ja. Nee, maak je geen zorgen.”
“Ja, maar daar hebben we toch over gehad van ‘e week?”
- “Ja, nee hoor, er is echt niks.” Puuu, ehhhh, ……

Vr: Dat loslaten. Je zit technieken te beoefenen. Je maakt je boos omdat het niet wil dat heeft toch ook een functie. Kun je dat ook ZIEN. Je kunt niet zeggen dat dat er helemaal niet is, voor mijn gevoel, mijn denken. Snap je wel? Dat mis ik dan.
A: Bij kunst kun je volgens mij altijd heel duidelijk zien dat iets is dat de technieken overstijgt. Ik mag ook graag vakmanschap zien in schilderijen of in muziek. Bij Mozart bijvoorbeeld, die heeft een leven gehad dat wil je niet weten. Verschrikkelijke ruzies, ingewikkeld, moeilijk met vrouwen. Hij was zwak en ziek, maar zodra die noten moesten komen, dan was er toch iets magisch.

Vr: Het is eigenlijk alles bijelkaar.
A: Het sluit ook niets uit. Er zijn mooie tradities in dit verhaal. Zen is zo’n traditie: je oefent je helemaal te pletter, tot het helemaal perfect is. Maar daar houd je niet bij op. Je merkt dat het toch verder gaat. In het boekje “Zen en de kunst van het boogschieten” staat het verhaal dat een man er een jaar over doet om alleen maar de boog te leren spannen en dan nog eens een jaar of twee om die pijl niet zelf af te schieten, maar om te zien dat op een gegeven moment dat de pijl verdwijnt. Vervolgens nog weer eens jaar of drie om de roos te raken zonder te mikken. Dat gaat zo maar door, alleen slechts over een pijl en boog! Uiteindelijk weet hij helemaal niet meer wat er gebeurt: of hij nou de pijl afschiet, de pijl hem afschiet. Je begint intuïtief, dan krijg je een stadium van oefenen en krijg je een stadium waarin die twee integreren.

Vr: Dat bedoel ik, al die dingen horen bijelkaar.
A: Inderdaad, je kunt niets overslaan.

Vr: Je hebt een kind en die leer je gewoon maar helemaal niks. Op een gegeven moment geef je hem verfkwasten en hoppeta: REMBRANDT! Is dat mogelijk?
A: Natuurlijk. Het is nog sterker. Wat je nu doet is al heel gunstig qua omstandigheden.
Juist die heel grote kunstenaars zijn vaak onder de meest ongunstige omstandigheden tot bloei gekomen. Het werkt ook wel een beetje zo: hoe meer er tegengewerkt wordt hoe eerder iets de neiging heeft zich te openbaren. Daarom is het symbool van de advaita ook een lotus die uit de prut, de modder omhoog komt. In de huidige tijd wordt allerwegen gestimuleerd je met kunst bezig te houden en studies erover te volgen. Je ziet dat de gemiddelde kwaliteit van wat er gemaakt wordt daalt. Het is te gemakkelijk.

Klaar?
Klaar!