|
home > teksten > artikelen
Over vrije wil
Als je jezelf bezig houdt met zelfonderzoek, komt vroeg of laat het
begrip vrije wil op de proppen. Hebben we een keuze, of worden we
geleefd? Zijn we verantwoordelijk voor onze daden, kunnen we er op
aangesproken worden, of bestaat zoiets als schuld helemaal niet? Als
er zoiets als schuld bestaat, wie is degene dan die de schuld krijgt?
Wie wordt er eigenlijk verantwoordelijk gesteld? Ik bedoel hier-mee
het volgende: wie of wat is de entiteit die vermeend wordt de schuldige
te zijn? Dat zijn zo wat van die vragen die de revue passeren.
Laten we voor het gemak eens aannemen dat er een vrije wil is. Dat
de mens een keuze heeft dus. Het eerste wat we hier tegenin kunnen
brengen, is dat er in ieder geval een heleboel is wat we niet in de
hand hebben. Mijn ouders kunnen deze week doodgaan, mijn dochters
kunnen een ongeluk krijgen, ik kan de honderdduizend gulden winnen
in de loterij, maar daar kan ik allemaal niet voor kiezen. En er is
nog veel meer; ik kan ziek worden zonder dat te besluiten, mijn haar
groeit zonder dat ik er voor kies, mijn voedsel verteert zonder dat
ik daarover beslissingen heb genomen. In feite kan ik er niet eens
voor kiezen de volgende tien minuten in leven te blijven.
Dit zijn allemaal argumenten die de stelling van een vrije wil ondergraven.
Er zijn natuurlijk ook ge-noeg verschijnselen te noemen die wél
in de richting van een vrije wil wijzen. Als het stoplicht op groen
springt, besluit je om te gaan rijden. Als je in de spiegel kijkt
en vindt dat je haar niet goed zit, pak je een kam. We besluiten om
kinderen te nemen, op vakantie te gaan, om linksaf te gaan in plaats
van rechtsaf, en tenslotte besluiten we op zelfonderzoek uit te gaan.
Bij al deze handelingen die op het bestaan van een vrije wil wijzen
is het in het belang van je zelfon-derzoek dat je gaat kijken of,
beter, dat je Nu kijkt, uit wat voor materiaal diegene bestaat die
de keuzes zou maken. Want als er een vrije wil is, dan is er dus iets
of iemand die kiest. Wie, of wat, is dat? De voor de hand liggende
gedachte is dat alle beslissingen worden genomen door de persoon.
Dat jij dat bent, en dat jij zelf kiest. Ben je een persoon? Wat is
een persoon?
Bijna iedereen heeft wel een bepaald beeld van zichzelf, een zelfbeeld.
Dat beeld is opgebouwd uit herinneringen die je in de loop van je
leven verzameld hebt. Er zijn ontelbare indrukken geweest, en de herinneringen
daaraan worden gecombineerd tot een zelfbeeld. Dat beeld dat we over
onszelf hebben, dat koppelen we aan het nemen van beslissingen, tenminste,
als we uitgaan van een vrije wil.
Het gekke, of het aardige nu, is dat we dat beeld van onszelf kunnen
waarnemen. Als iemand ons zou vragen een beschrijving van onszelf
te geven, dan komt er een hele lijst met eigenschappen die we op kunnen
noemen. Maar iedereen heeft wel de ervaring dat je eigenlijk altijd
het gevoel hebt dat je niet genoeg vertelt, dat de vlag de lading
dus nooit dekt. Want we kunnen het waarnemen! Al die eigen-schappen
kunnen we zien, en daarom komt ook de vraag op: Wie is dan degene
die dit alles waar-neemt? Het wordt nog gekker, als we ontdekken dat
we diegene helemaal niet kunnen zien, want alles wat we kunnen zien,
wordt ook weer waargenomen.
Als we dit ontdekken, is het ook onmiddellijk duidelijk dat we niet
de persoonlijkheid zijn, want die wordt ook al weer gezien. Bij nadere
beschouwing blijkt die persoonlijkheid helemaal niet zo continu als
over het algemeen gedacht wordt. ’s Nachts, in de diepe droomloze
slaap is hij afwezig, bijvoor-beeld. Als we een hele goede film zien,
of een goed boek lezen, verdwijnt het zelfbeeld ook. Maar wat zijn
we dan, ondertussen?
Laten we nog even terugkomen op het koppelen van dat zelfbeeld aan
het nemen van beslissingen. Stel dat er iets gebeurt wat een onmiddellijke
reactie vereist. Bijvoorbeeld een noodstop maken met de auto. Op het
moment dat zoiets gebeurt, handel je. Alles gaat bliksemsnel en voor
dat je het weet sta je stil, bijvoorbeeld in de berm van de weg. Heel
snel daarna begint je hart pas te bonzen en komt er adrenaline vrij
en dergelijke, vooral als je er aan denkt wat er allemaal had kunnen
gebeuren. Maar waar was die persoonlijkheid op het moment van handelen?
En het wordt nog eigenaardiger als we kijken naar heel alledaagse
dingen, dus nog niet eens naar noodsituaties, maar bijvoorbeeld iets
simpels als rechtop blijven staan, of op je fiets blijven zitten.
Daar hoeft helemaal niemand zich mee te bemoeien, geen zelfbeeld,
geen wat dan ook.
Dus als er al besloten wordt, of gekozen, dan is het in ieder geval
niet de persoonlijkheid. Maar wat dan wel? Alles lijkt er op te wijzen
dat er helemaal niet zoiets bestaat als een vrije wil. Is dit nu een
vrij-brief voor bijvoorbeeld het plegen van diefstallen? “Meneer
de rechter, ik kon niet anders, ik moest het doen. Het was voorbestemd.”
(De rechter zou dan natuurlijk kunnen zeggen: “Dat u gestraft
zou wor-den was ook voorbestemd, meneer!”) Hier zit een addertje
onder het gras. We kunnen het afwezig zijn van een vrije wil niet
als excuus gebruiken om gedrag goed te praten, want voor wie wordt
er dan een excuus gezocht? Diegene waarvoor dat gebeurt wordt gezien
als degene die de handelingen verricht zou hebben, en we hebben net
gezien dat dat berust op het misverstand dat we de persoonlijkheid
zouden zijn.
Misschien kunnen we ons onderzoek nog iets toespitsen door wat gedetailleerder
te werk te gaan. Vrije wil is een samenstelling van vrijheid, of vrij
zijn, en willen. Wat is willen eigenlijk? Als ik iets wil, of als
ik iets niet wil, dan betekent dat dat ik niet tevreden ben met de
situatie zoals die nu, op dit mo-ment, is. Er is het gegeven, het
nu, en er is de geprojecteerde ideale toestand. Er is dus geen acceptatie
van het nu, en er is de illusie dat er aan het nu iets veranderd of
verbeterd zou kunnen worden. Diegene die dat zou moeten of kunnen
doen is alweer die persoonlijkheid, waarvan we net hebben gezien dat
we die niet zijn. We krijgen hier dus een paradoxale situatie: het
niet-accepteren van wat er nu is, is in feite onvrijheid. Daarmee
wordt de term ‘vrije wil’ een tegenspraak in zichzelf,
een Contradictio in Terminis. Totale vrijheid houdt dan in: het volledige
accepteren van wat er nu is. Er is dan niemand die iets te willen
of iets niet te willen heeft. Het kan zijn dat er een persoonlijkheid
verschijnt, maar aangezien we die niet zijn, maakt het niet uit of
die zich aandient of niet.
Is het dan zo dat we een speelbal zijn van de natuur en maar gelaten
hebben af te wachten wat er over ons heen komt? Kunnen we net zo goed
de hele dag op een stoel gaan zitten? Deze vragen wor-den vooral op
satsangs vaak gesteld. Het zou een experiment kunnen zijn in je zelfonderzoek.
Ga maar eens een hele dag op non-actief, over misschien langer. En
kijk maar eens wat er dan gebeurt. Onher-roepelijk komt er vroeg of
laat actie wanneer de situatie dat vereist. Er moet bijvoorbeeld gegeten
wor-den eens in de zoveel tijd. En eventueel gewerkt. Of je moet bijvoorbeeld
naar de wc. De telefoon gaat, of de deurbel. En ga zo maar door. Het
is misschien een tijdje vol te houden, maar niet voor heel erg lang.
Het zou ook niet natuurlijk zijn, want het uitgangspunt, namelijk
dat we een persoon zijn, klopt niet.
Als we geen persoon zijn, wat zijn we dan eigenlijk wel? Die persoon
is in de loop van ons leven tal-loze keren veranderd. Eerst heb je
als zelfbeeld het plaatje van een kind van acht, en later wordt het
beeld bijgesteld tot dat van een puber of een volwassene. Maar wie
of wat ziet die beelden komen en gaan? Hoe kunnen we vertellen dat
de persoonlijkheid een tijdje afwezig is geweest? Dat kan alleen maar
als wij er de hele tijd geweest zijn om dit allemaal waar te nemen.
Blijkbaar zijn we dus datgene waar alles wat we waar kunnen nemen
in verschijnt. De waaktoestand, de droom en de droomloze slaap zijn
toestanden die zich afwisselen en die in ons verschijnen. Als je dit
voor de eerste keer hoort of leest, moet je een draai van 180 graden
maken om het te zien. Want je hele leven lang is je precies het tegenovergestelde
verteld, namelijk dat je datgene bent wat je waarneemt. En dan nog
niet eens alles, maar slechts een deel: bijvoorbeeld het lichaam.
Met de ontdekking dat je datgene bent waar dit alles in verschijnt
verandert er een heleboel. Een paar voorbeelden: “Ik ben kwaad”,
wordt: “Er is woede”. “Ik wil dit of dat helemaal
niet”, wordt – “Er is een verlangen”. “Ik
word ’s ochtends wakker”, wordt: “Wat de wereld
genoemd wordt, verschijnt”. Dit formuleert zich niet letterlijk
zo, maar het is een minder foute beschrijving van wat er gebeurt.
Datgene wat er al is voordat er ook maar iets kan verschijnen noemen
we in Advaita voor het gemak Absoluut Bewustzijn, hoewel geen enkele
benoeming toereikend is. Dit Absoluut Bewustzijn blijft onbewogen
toeschouwer van alle verschijnselen, zonder dat het iets toelaat of
tegen kan houden. Alles verschijnt, blijft even, en verdwijnt weer.
Oorlogen, vrede, verliefdheid, spirituele ervaringen, lust, honger,
verdriet, alles mag er zijn en wordt gezien. Oordelen is niet aan
de orde, en als dat al gebeurt is dat ook aan de gekende kant. Met
andere woorden: dit Absolute Bewustzijn wat we zijn, is keuzeloos.
Datgene wat we zijn, kiest niet. Keuzes worden wel gemaakt, maar die
komen voort uit, en horen bij een bepaalde situatie, die we niet zijn.
We zijn uitsluitend deze Beschikbaarheid waar alle situaties en verschijnselen
in opkomen.
Ik begon dit stukje met de zin: “Als je jezelf bezig houdt met
zelfonderzoek, komt vroeg of laat het begrip vrije wil op de proppen.”
Vrije wil blijkt bij nadere beschouwing inderdaad niet veel meer te
zijn dan een begrip. Want als we gaan zoeken naar degene die kiest,
kunnen we lang zoeken. En als we gaan zoeken naar diegene die NIET
kiest, kunnen we ook lang zoeken.
|