Advaita Vedanta

Een onderzoek naar je ware natuur

 

home > teksten > chats

Bewustzijn is het oplosmiddel

Bezoeker: Klopt het dat iets, wat slechts de duur heeft van een paar seconden, onmogelijk "ik" genoemd kan worden?
Jan: Nee. Je kunt alles "ik" noemen, dus ook iets wat maar een paar seconden duurt.

B: Hoe bedoel je dat?
J: Is er iets wat je niet bent?

B: Het enige dat ik weet is dat er waarnemingen zijn.
J: Oké, dan beginnen we daar. Waar komt die 'ik' in het spel? Want je bracht net die 'ik' ter sprake.

B: Als de waarnemingen niet goed bevonden worden, of wel goed bevonden worden.
J: Ho even, is dat niet alweer een waarneming?

B: Ja, alles is waarneming.
J: Zit er werkelijk een oordeel in het waarnemen zelf? Of wordt het oordeel ook waargenomen?

B: Dat wordt ook waargenomen.
J: Dus waarnemen is keuzeloos.

B: Ja.
J: Zit er een 'ik' in het waarnemen? Of wordt een 'ik' waargenomen?

B: 'ik' wordt waargenomen.
J: Is er dus een wie of een wat, die dat 'ik' waarneemt?

B: Dat kan dan niet.
J: Is dat een conclusie? Of een werkelijk inzicht?

B: Weet ik niet.
J: Dan is het een conclusie.

B: 'ik' laat zich niet zo gemakkelijk waarnemen. Ik vraag me eigenlijk af wat 'ik' is.
J: Daar heb je de hele reden tot zelfonderzoek: Wat ben ik? Dat is de basisvraag en nu gaat het er om of je dat werkelijk wilt weten, of dat je alleen maar geïnteresseerd bent in een beter functionerend ego.

B: Laatst zei je dat water alle vormen kan aannemen en zo is het ook met bewustzijn als ik het goed begrepen heb, maar zijn die vormen er niet altijd?
J: Nee, zeker niet.

B: Wanneer niet dan?
J: Oh zo vaak! 8 uur per nacht bijvoorbeeld. Vormloos bewustzijn zonder tijd ruimte of wat dan ook.

B: Hoe weet je dat?
J: Als je 's morgens wakker wordt en je vrouw vraagt aan je: Heb je lekker geslapen? Wat zeg je dan?

B: Ja.
J: Hoe weet je dat? Hoe weet je dat je niet wakker geworden bent?

B: Dat is afhankelijk van de toestand, gevoel.
J: Nee, je weet dat omdat je er getuige van was. Je kunt zien dat er geen vormen zijn. Dat weet je en dat noem je dan een goede nachtrust.

B: Ik ga er altijd vanuit dat als er geen vormen geweest zijn dat ik dan goed geslapen heb. Als ik een paar keer op moest, heb ik slecht geslapen. Als ik droom heb ik slecht geslapen.
J: Ja maar hoe weet je dat je niet droomde? Dat er geen vormen geweest zijn? moet er dan niet een kennendheid zijn die ziet dat er niets verschijnt?

B: Ja.
J: En dat is waar ik steeds naar verwijs. Het gaat er alleen maar om, dat je de gewoonte om een waarneembare uitkijkpost aan te wijzen, doorziet.

B: Het lichaam bijvoorbeeld?
J: Bijvoorbeeld.

B: Maar het lijkt toch allemaal van deze kant te komen van dat lichaam.
J: Ja, dat is juist de illusie. Waarnemen is niet te lokaliseren. Dat is de ontdekking.

B: Die vraag van plaats, die blijft. Het lichaam verschijnt af en toe in de aandacht.
J: Plaats is denken.

B: Dat is te zien, maar dan komt inderdaad denken: "Waar is die aandacht dan "gevestigd?" Conclusie: Het lichaam.
J: Dat is locatie, maar waar komt die aandacht vandaan? Je kunt vragen: Waar richt ik de verrekijker op? Je kunt ook vragen: Wat zit er aan de andere kant van de verrekijker?

B: Je kunt van alles vragen.
J: Ga je gang.

B: Ik weet niet of dat met denken op te lossen is.
J: Is het niet zo dat het denken steeds oplost?

B: Ja.
J: Je zou dus zeggen dat Bewustzijn het oplosmiddel is, en niet denken. Als je suiker in water oplost is water het oplosmiddel. Als denken in Bewustzijn oplost is bewustzijn het oplosmiddel.