|
home > teksten
> chats
Over conditioneringen en het onmiddellijke weten
Jan: Ik gebruik in het dagelijks leven precies dezelfde
taal als iedereen. Dus die conditionering, die ís er. Ik heb er geen
last van.
Bezoeker: Waarom heb je er geen last van?
J: Omdat dat onmogelijk is. Ik zie het voor wat
het is: een conditionering. Conditioneringen komen en gaan en beďnvloeden
mij niet in mijn wezen. Hoe zou ik er last van kunnen hebben?
B: Ja, die zinnen lees ik de laatste tijd
nogal vaak.
J: Bij wie?
B: Boeken, sites. Bedoel je dat?
J: Ja, maar laat je niets aanpraten. Als je het
niet vertrouwt, onderzoek dan. Het gaat er niet om, dat je dingen
van me aanneemt. JIJ kijkt, JIJ weet.
B: Een probleem is bij zelfonderzoek, dat
de ene keer je alles moet zien en onderzoeken en de andere keer je
niets moet doen.
J: Klopt. Weet je waarom dat is?
B: Nee.
J: Om je te laten ontdekken dat dat allebei niet
kan, maar dan wel voor duizend procent! kun je me volgen?
B: Je hebt me laatst verteld dat doen en niet
doen hetzelfde is.
J: Klopt, wei wu wei.
B: Ik zie echter geen doener.
J: Precies! Eer is dus geen doener die iets kan
doen en er is ook geen doener die niets kan doen, want er is geen
doener!!! Dingen gebeuren, je 'doet' ze niet. Dat is natuurlijk wel
even wennen.
B: Misschien moet ik het wel gewoon doen.
J: Hahahahaha.
B: Ipv lezen en zo.
J: Dat komt vanzelf wel. Of zoek een keer iemand
op. Voor een satsang je bent bij mij altijd welkom, van harte!
B: Zal ik zeker doen.
J: Spelen conditioneringen een grote rol in jouw
leven? Is het iets waar je momenteel mee worstelt?
B: Nu niet.
J: Oké, dan doen we even een experiment.
B: Oké.
J: Haal eens een conditionering naar boven? Een
gewoonte waar je vanaf wilt, of zo of iets in jezelf waar je een hekel
aan hebt.
B: Ik voel me geblokkeerd in bepaalde situaties.
J: Wat is de ervaring momenteel? Nu ook?
B: Nee.
J: Haal eens zo'n situatie voor de geest?
B: Oké.
J: Als je nu goed kijkt wat er gebeurt, kun je daar
iets over zeggen? Hoeft niet heel persoonlijk.
B: Mijn ademhaling gaat sneller.
J: Oké
B: Er is wat spanning in de bovenbenen. Dat
is het.
J: Dus waarschijnlijk een ongemakkelijk gevoel in
het middenrif.
B: Ja.
J: Kijk nu, of er ergens een probleem mee is. Is
er commentaar van het denken?
B: Denken slaat op hol.
J: Oké, dus wat je ziet is wat lichamelijke sensaties.
B: Ja.
J: En het denken wat aan de haal gaat.
B: Ja.
J: Probeer dat nu eens te verergeren? Nog meer spanning,
nog meer denken…
B: Oké.
J: En, belangrijk, kijk of het lukt!
B: Oké.
J: Kun je er ergens een doener in ontdekken?
B: Alleen als gedachte.
J: Wie ziet die gedachte?
B: Die is er.
J: Je weet dat de gedachte er is. Hoe weet je dat?
B: Op de een of andere manier. Niet definieerbaar.
J: Kost het moeite om het waar te nemen?
B: Nee.
J: Zou je het "onmiddellijk" kunnen noemen?
B: Ja.
J: Weten zonder meer?
B: Ja.
J: Als we gaan kijken hoe dat zit, dan gaat dit
"weten" als het ware voor het denken en het voelen uit.
B: Oké.
J: Met dit "weten" zie je het denken en het voelen.
B: Oké.
J: En het leuke hiervan is, dat dit "weten" geen
eigenaar heeft! Want elke eigenaar is object van dit "weten". Elke
eigenaar is denken en wordt dus gekend.
B: Het is hetzelfde dus? Een object?
J: Eigenaar = object. Even terug naar dit 'weten'
zonder meer. Kun je het aanwijzen?
B: Nee, en dat is het probleem.
J: Stel dat dat zou kunnen dat je het zou kunnen
aanwijzen. Dan is het op dat moment object geworden, nietwaar?
B: Ja.
J: En dan is het dus niet dat 'weten'.
B: Nee.
J: Als je een metafoor zou nemen van licht, en datgene
waar het op schijnt, dan is dit 'weten' het licht en de objecten datgene
waar het licht op schijnt.
B: Oké.
J: Dat licht is per definitie nooit aan te wijzen,
want alleen objecten zijn aan te wijzen. Still with me?
B: Ja.
J: Die spanning in je benen en dat denken dat op
hol sloeg, zijn die er nog?
B: Het enige is, dat ik tussen je zinnen nog
zit te denken.
J: Aan?
B: Over wat je zegt.
J: Oké, geen punt. Wat we nu ontdekken, is dat dit
weten aan alle objecten vooraf gaat.
B: Ja.
J: Dus aan denken, voelen, de hele rataplan. Dit
weten noemen ze in Advaita de ware kennis en weten met je geheugen
(denken) noemen ze in Advaita de valse kennis.
B: Denken = geheugen?
J: Ja, denken is altijd het oude. Het zijn momentopnamen
van vroeger, vandaar: na-denken.
B: Ja.
J: Vandaar her-inneren, ge-heugen…
B: Dus met denken leef je in het verleden.
J: Nee, denken IS het verleden. Je kunt niet in
het verleden leven, het verleden verschijnt in JOU. Je bent getuige
van denken (verleden). De gedachte dat jij in het verleden zou kunnen
zitten is illusie. Wat wél kan, is dat de aandacht een tijdje in het
verleden (denken) ligt.
B: Maar dat is nu.
J: Precies. Hoe weet je dat je wordt meegesleept?
omdat je toch steeds die getuige was.
B: Omdat het dan lijkt alsof ik erin zit.
J: Precies, "lijkt". Maar dat is gewoon een kwestie
van even goed kijken hoe het zit.
B: Angst zet dan nog meer aan tot denken.
J: Ja, eerst wel. Ik heb jarenlang enorme angsten
gehad totdat de interesse in de vlucht voor de angst volkomen verdween.
De vluchtheuvels werkten niet, dus verloor ik de interesse en ging
ik voor het eerst in mijn leven gewoon kijken. Kijken naar die angst.
Niet onderdrukken niet uiten maar kijken.
B: Je bedoelt dat je inzag dat denken niet
goed functioneert. Nu weet je iets en over twee seconden niet meer.
Bedoel je dat met vluchtheuvels?
J: Als je over denken praat, dan klopt dat inderdaad.
Ik had allerlei ontspanningstechnieken geleerd en toch elke keer weer
die angsten.
B: Ik heb op m'n hoofd gestaan en weet ik
wat allemaal.
J: Ja, ik heb ook asana's gedaan
B: En ik was de kamer nog niet uit, of ik
hyperventileerde ik alweer.
J: Dat kan. Ik heb ook jaren gehyperventileerd.
B: Ik wil dit oplossen!
J: "De oplossing is het probleem", zei mijn leraar
Alexander altijd een daar had hij gelijk in. In plaats van te kijken
wat er gebeurt, verzin je een andere, ideale, situatie en dat wordt
de 'oplossing'. Daarmee creëer je een spanning tussen wat IS, en wat
zou moeten zijn.
B: Oké.
J: Zie eenvoudig wat IS. Is er angst? Kijk naar
de angst. Geen probleem met angst. Als je er van af wilt, dan heb
je een probleem. Angst zelf, is geen probleem.
B: Eigenlijk niet.
J: Laat 'eigenlijk' maar weg. De oplossing is het
probleem.
B: Het is niet helemaal duidelijk.
J: "Ik wil die angst oplossen! ik wil er zo snel
mogelijk vanaf!" Zo werkt het niet. Die angst wil gezien worden.
B: En de hyperventilatie…
J: Ook. Als er geen oplossing is, is er ook geen
probleem.
B: Begrijp ik niet.
J: Haal je eens een situatie voor de geest waarin
je volkomen gelukkig was, of bent.
B: Oké.
J: Lukt het?
B: Ja.
J: Is er nu een oplossing?
B: Nee.
J: Voor het een of ander? Snap je het?
B: Niet nodig.
J: Geen oplossingen, geen problemen geen problemen,
geen oplossingen.
|