|
home > teksten
> chats
Het niets laat geen sporen na
BEZOEKER 1: veel is me duidelijk geworden,
maar soms lijkt het alsof ik niet verder kan.
JAN: hoeft ook niet. Rustig blijven kijken. Het
is de kunst om geen resultaat te verwachten, want resultaten zijn
altijd tijdelijk.
B1: ik ben toch laatste tijd bezig om dat denken
tot zwijgen te brengen. Ik mediteer me suf.
J: laat het maar gaan. Maak er geen plan van om
niet meer te mediteren. Het is iets wat uit wil rollen. Zie dat je
er niets aan kunt doen, dat het dus 'zichzelf' wil uitvertellen, als
het ware.
B1: toch lukt het om te stoppen met denken
en dan wordt het bijna totaal stil. En dan komt er ontspanning door
alles met aandacht te doen.
J: niets mis mee, lijkt me. Maar wordt geen verslaafde
aan 'toestanden', aan 'states'. Verlichting is geen 'state of mind'.
B1: maar toch hoor ik dat bijvoorbeeld angsten
verdwijnen omdat niemand meer bang zou zijn.
J: dat is een bijverschijnsel en resultaat van verlichting,
maar zodra je er een doel van maakt zit je in de penarie. Ik heb mijn
interesse in angsten totaal verloren.
B1: ik ben er op dit moment ook niet mee bezig,
maar het blokkeert me wel om bepaalde dingen te doen die ik zou willen
doen. En dat is voor mij geen vrijheid.
J: een momentje want in je vorige zin zitten wel
vijf dingen waar ik op in zou kunnen haken. Je zei: "angst blokkeert
me om dingen te doen die ik zou willen doen". Citeer ik je goed?
B1: ja, zo zou je het kunnen noemen .
J: oké, nu krijg je mijn vertaling. Je bent getuige
van een gevoel, dat is één. Je bent getuige van het etiket "angst',
dat is twee. Je bent getuige van een gedachte aan 'blokkade', dat
is drie. Je bent getuige van het idee dat jij dingen zou kunnen doen,
dat is vier.
B1: haha.
J: en je bent getuige van het misverstand 'willen',
dat is vijf.
B1: dat is pas de puntjes op de i zetten, hahaha!
J: als we gewoon een 'stapje terug doen' dan ineens
wordt het erg simpel dan zijn we gewoon die getuige. Zodra we denken
dat we een verschijnsel zijn wordt het ingewikkeld want dan gaan we
vrijheid zoeken voor een verschijnsel.
BEZOEKER 2: laten we (ik) dat nu constant denken,
dat we een verschijnsel zijn
J: dat is een stelling die ik heel gemakkelijk aan
kan vechten. Hoe zou je het begrip 'constant' definiëren?
B2: nooit niet.
J: zijn er moment waarop die gedachte dat je een
verschijnsel bent, er niet is?
B2: ja inderdaad, je hebt gelijk, wat ik zei
is niet waar, maar het leek nu waar. Grappig is dat.
J: dus wat we nu zien is dat er af en toe de gedachte
verschijnt: "ik ben een verschijnsel". We zijn dus getuige
van een misverstand.
B2: dit is heel gek.
J: wat is er gek aan?
B2: nu geef ik zelf net toe dat dit zo is,
maar tegelijkertijd ken ik het niet, dat ik niet denk dat ik een verschijnsel
ben.
J: ah, maar natuurlijk ken je dat wel! Je kent talloze
momenten waarop die gedachte afwezig is.
B2: ik herken die kennelijk niet.
J: ik heb het over kennen, niet over herkennen!
Herkennen is denkwerk, is geheugen. Kennen is onmiddellijk, is het
licht van het zien zelf!
B1: en als je je op het kennen blijft richten?
J: dan doe je eigenlijk precies wat de eerbiedwaardige
Shri Nisargadatta Maharaj aanraadt.
B1: maar dat is ook wat ik in Zen terug zie,
of meditatie.
J: in Zen zijn ook veel stromingen. Welk soort zen
bedoel je?
B1: het beoefenen van de loop-meditatie is
typisch zen. Aandacht richten op het lopen. Of afwassen.
J: zen en de kunst van het afwassen?
B1: in Zen draait het veel om het beoefenen
van aandacht.
J: nee, het draait om aandacht, niet om het 'beoefenen'.
Zen is niet te oefenen er zijn richtingen in zen die erop gericht
zijn om het denken te laten exploderen.
B1: ja met een koan. Dat bedoel ik ook niet.
J: Inderdaad, wat bedoel je?
B1: ik zelf gebruik alleen maar aandacht. Richten
op het waarnemen. In plaats van het waargenomene.
J: ja, maar je gaat vroeg of laat ontdekken dat
er alleen maar aandacht is, die zich richt maar dat er niemand is,
die iets gebruikt. Het idee dat ik of jij iets doet kan heel echt
lijken, maar als dat doorzien is dan is het gedaan met die 'doener'.
B2: wat is de oorsprong van het ik-gevoel?
J: altijd Ik, met een hoofdletter. Wat is de oorsprong
van alles? Ik. Misschien bedoel je iets anders. Misschien bedoel je:
wat is de reden van het ik-gevoel?
B2: niet helemaal: ik probeerde het terug te
leiden: wat is het, wie is het?
J: wat-wie is het ik-gevoel? Bedoel je dat?
B2: ja.
J: het ik-gevoel is een misverstand, tenminste als
je denkt dat er behalve dat ik nog andere dingen bestaan. Als je weet
dat alles ik is, kan er ook een ik-gevoel zijn, maar dan heb je dat
bij alles. Zoals ik, bijvoorbeeld. Ik denk bij alles: hé, daar heb
je mij weer! Hahahaha!
B2: je bent wel erg blij met jezelf, hahaha!
J: en dus blij met alles. Wat je zegt, klopt letterlijk.
B2: ook met pijn?
J: ja.
B1: óók als ik je een schop geef?
J: ja, mijn hele bestaan is een grote ja tegen alles.
Zeg maar ja tegen het leven!
B2: ik zeg vaak ja tegen nee, hoe past dat?
J: klinkt hier volkomen logisch, hoe paradoxaal
ook. Want wat betekent dat in de praktijk?
B2: klinkt hier als een groot walgelijk conflict.
J: dat je onvoorwaardelijk getuige bent van een
weigering.
B2: getuige van iets walgelijks, kennelijk.
J: ja, natuurlijk!
B2: waar jij nog blij mee bent ook (dat zeg
je toch?)
J: ja maar ik denk dat jij met blij een gevoel bedoelt,
klopt dat?
B2: min of meer
J: met 'blij zijn met' bedoel ik: acceptatie.
B2: anders is het zo abstract.
J: dus dat er geen goed- of afkeuring is.
B2: maar je voelt er niets bij, of is het wellicht
bliss of iets dergelijks?
J: ik voel er heel vaak iets bij maar mijn interesse
ligt niet in dat gevoel op zich. Het is mooi meegenomen, dat gevoel
van eenheid, maar als het er niet is, maak ik me geen zorgen.
B1: dus je ervaart soms een gevoel van eenheid?
J: natuurlijk, regelmatig. Maar dat is een bonus.
Ik probeer niet, om die ervaring te herhalen want dat zou onzin zijn.
B1: dan raak je het juist kwijt zeker.
J: het hele proberen is hier verdwenen, snappen
jullie? Ik 'probeer' helemaal niets meer
B1: maar toch is er handelen.
J: natuurlijk.
B1: dat gaat dan spontaan ?
J: gratis en voor niks, zou mijn grote vriend Jan
van Delden zeggen.
B2: als jij werkelijk helemaal leeg bent, wie
praat er dan nu met me?
J: je bent altijd op zoek naar een 'wie' of een
'wat'! Het komt helemaal niet bij je op dat er misschien niemand is!
B2: dat vroeg ik je nou juist!
J: waarom moet er een 'iemand' zijn?
B1: is die iemand denken? Of doen? Ik zie in
ieder geval geen instantie die iets kan afdwingen
J: 'iemand' is altijd denken. Doen is gewoon doen.
B1: oké
J: ik zie ook geen instantie, maar ik ben er ook
niet naar op zoek. Voor mij is dat dus geen alarmsignaal.
B2: nee oké, je zegt er is misschien niemand.
J: het is hier niet van: oh god, er is niemand,
wat nu?
B2: je brengt me steeds in een gebied waar
het denken stopt of bijna stopt: houvast is er niet: is dat niemand?
J: ja in de letterlijke zin van het woord wel.
B1: misschien houd dat eindeloze gebrabbel
tegen je zelf dan ook op.
J: absoluut, dat kan ik je verzekeren.
B1: wat een rust.
J: zeker!
B2: maar ik zie nu zelf hoeveel woorden voorafgaan
aan een momentje bijna-inzicht. Het lijkt dus een zware bevalling.
J: ja, het lijkt heel wat, maar het zit hem in dat
woordje 'lijkt'.
B2: ja, dat is een heerlijk woord. Jan, hoe
heb jij aanvaard dat het niks geen oorsprong heeft?
J: ik zal je vertellen: het was iets wat me overkwam,
als een soort cadeau.
B2: was het niet ook een verwerkingsproces?
J: wat het ook was…
B2: opgeven van een hoop?
J: het was niet iets wat ik deed. Wat er gebeurde,
was het volgende: ik ging op bezoek bij Alexander in Baarn en ik was
gewoon ademloos getuige van het oplossen van alle, werkelijk alle
problemen.
B2: prachtig.
J: ik had het dus niet eens tegen kunnen houden.
B2: ja, ik kan me dat dan zeker voorstellen.
J: ik wil maar zeggen, realisatie of verlichting
is geen verdienste. Een cadeau is geen verdienste.
B2: cadeau zonder gever dus weer, noch ontvanger,
beetje vreemd: het overkomt je gewoon op een gegeven moment?
J: ja, je kunt er niets aan doen. Als het zover
is, is het zover.
B1: op een gegeven moment valt het kwartje.
Ik meen steeds weer, als jij dat kent, moet dat hier uiteindelijk
ook zo zijn.
J: ja, maar niet uiteindelijk; onmiddellijk!
B2: het is niet helder, hoe kan dat dan?
J: geen idee, vertel jij het maar.
B2: leuk antwoord is dat!
J: voor mij is het onmogelijk dat het niet helder
zou zijn.
B2: ik vermoed dus dat jij helderheid zelf
bent.
J: dus, als ik helderheid zelf ben, wat betekent
dan 'niet helder'?
B2: dat verschijnt, strikt gesproken, ook in
de helderheid lijkt me.
J: uiteraard! Maar dan is alles dus helder.
B2: dit is paradoxaal.
J: wat is de tegenstelling? En waarom is hij schijnbaar?
B2: niet-helderheid is eigenlijk wel helder.
Dat is een schijnbare tegenstelling.
J: als een tegenstelling schijnbaar is dan is er
toch geen probleem?
B2: non-dualiteit is een erg krachtig woord.
Je zou zeggen, de ware betekenis is dat alles stopt. Kan een woord
zoiets moois doen?
J: de ware betekenis is helemaal niet dat alles
stopt. De ware betekenis is deze: je bent geen-twee en tweedehands
kennis komt aan zijn einde.
B2: oké, als ik geen twee ben ben ik ook jullie,
niet? Dit blijft mij fascineren.
J: ja, maar let op: er is een groot verschil tussen
iemand anders als jezelf beschouwen of weten dat jij hem of haar bent.
B2: ja: kan het zo zijn dat 'iemand anders
als jezelf beschouwen' een voorstadium is van het weten?
J: nee, weten kent geen voorstadium.
B2: wat ik ben dan nu op het spoor, dat geen
voorstadium is? Ik heb toch ergens de klok horen luiden: het spoor.
J: niets.
B2: curieus antwoord: niets laat geen sporen
na
J: klopt.
|