Advaita Vedanta

Een onderzoek naar je ware natuur

 

home > teksten > chats

Het niets laat geen sporen na

BEZOEKER 1: veel is me duidelijk geworden, maar soms lijkt het alsof ik niet verder kan.
JAN: hoeft ook niet. Rustig blijven kijken. Het is de kunst om geen resultaat te verwachten, want resultaten zijn altijd tijdelijk.

B1: ik ben toch laatste tijd bezig om dat denken tot zwijgen te brengen. Ik mediteer me suf.
J: laat het maar gaan. Maak er geen plan van om niet meer te mediteren. Het is iets wat uit wil rollen. Zie dat je er niets aan kunt doen, dat het dus 'zichzelf' wil uitvertellen, als het ware.

B1: toch lukt het om te stoppen met denken en dan wordt het bijna totaal stil. En dan komt er ontspanning door alles met aandacht te doen.
J: niets mis mee, lijkt me. Maar wordt geen verslaafde aan 'toestanden', aan 'states'. Verlichting is geen 'state of mind'.

B1: maar toch hoor ik dat bijvoorbeeld angsten verdwijnen omdat niemand meer bang zou zijn.
J: dat is een bijverschijnsel en resultaat van verlichting, maar zodra je er een doel van maakt zit je in de penarie. Ik heb mijn interesse in angsten totaal verloren.

B1: ik ben er op dit moment ook niet mee bezig, maar het blokkeert me wel om bepaalde dingen te doen die ik zou willen doen. En dat is voor mij geen vrijheid.
J: een momentje want in je vorige zin zitten wel vijf dingen waar ik op in zou kunnen haken. Je zei: "angst blokkeert me om dingen te doen die ik zou willen doen". Citeer ik je goed?

B1: ja, zo zou je het kunnen noemen .
J: oké, nu krijg je mijn vertaling. Je bent getuige van een gevoel, dat is één. Je bent getuige van het etiket "angst', dat is twee. Je bent getuige van een gedachte aan 'blokkade', dat is drie. Je bent getuige van het idee dat jij dingen zou kunnen doen, dat is vier.

B1: haha.
J: en je bent getuige van het misverstand 'willen', dat is vijf.

B1: dat is pas de puntjes op de i zetten, hahaha!
J: als we gewoon een 'stapje terug doen' dan ineens wordt het erg simpel dan zijn we gewoon die getuige. Zodra we denken dat we een verschijnsel zijn wordt het ingewikkeld want dan gaan we vrijheid zoeken voor een verschijnsel.

BEZOEKER 2: laten we (ik) dat nu constant denken, dat we een verschijnsel zijn
J: dat is een stelling die ik heel gemakkelijk aan kan vechten. Hoe zou je het begrip 'constant' definiëren?

B2: nooit niet.
J: zijn er moment waarop die gedachte dat je een verschijnsel bent, er niet is?

B2: ja inderdaad, je hebt gelijk, wat ik zei is niet waar, maar het leek nu waar. Grappig is dat.
J: dus wat we nu zien is dat er af en toe de gedachte verschijnt: "ik ben een verschijnsel". We zijn dus getuige van een misverstand.

B2: dit is heel gek.
J: wat is er gek aan?

B2: nu geef ik zelf net toe dat dit zo is, maar tegelijkertijd ken ik het niet, dat ik niet denk dat ik een verschijnsel ben.
J: ah, maar natuurlijk ken je dat wel! Je kent talloze momenten waarop die gedachte afwezig is.

B2: ik herken die kennelijk niet.
J: ik heb het over kennen, niet over herkennen! Herkennen is denkwerk, is geheugen. Kennen is onmiddellijk, is het licht van het zien zelf!

B1: en als je je op het kennen blijft richten?
J: dan doe je eigenlijk precies wat de eerbiedwaardige Shri Nisargadatta Maharaj aanraadt.

B1: maar dat is ook wat ik in Zen terug zie, of meditatie.
J: in Zen zijn ook veel stromingen. Welk soort zen bedoel je?

B1: het beoefenen van de loop-meditatie is typisch zen. Aandacht richten op het lopen. Of afwassen.
J: zen en de kunst van het afwassen?

B1: in Zen draait het veel om het beoefenen van aandacht.
J: nee, het draait om aandacht, niet om het 'beoefenen'. Zen is niet te oefenen er zijn richtingen in zen die erop gericht zijn om het denken te laten exploderen.

B1: ja met een koan. Dat bedoel ik ook niet.
J: Inderdaad, wat bedoel je?

B1: ik zelf gebruik alleen maar aandacht. Richten op het waarnemen. In plaats van het waargenomene.
J: ja, maar je gaat vroeg of laat ontdekken dat er alleen maar aandacht is, die zich richt maar dat er niemand is, die iets gebruikt. Het idee dat ik of jij iets doet kan heel echt lijken, maar als dat doorzien is dan is het gedaan met die 'doener'.

B2: wat is de oorsprong van het ik-gevoel?
J: altijd Ik, met een hoofdletter. Wat is de oorsprong van alles? Ik. Misschien bedoel je iets anders. Misschien bedoel je: wat is de reden van het ik-gevoel?

B2: niet helemaal: ik probeerde het terug te leiden: wat is het, wie is het?
J: wat-wie is het ik-gevoel? Bedoel je dat?

B2: ja.
J: het ik-gevoel is een misverstand, tenminste als je denkt dat er behalve dat ik nog andere dingen bestaan. Als je weet dat alles ik is, kan er ook een ik-gevoel zijn, maar dan heb je dat bij alles. Zoals ik, bijvoorbeeld. Ik denk bij alles: hé, daar heb je mij weer! Hahahaha!

B2: je bent wel erg blij met jezelf, hahaha!
J: en dus blij met alles. Wat je zegt, klopt letterlijk.

B2: ook met pijn?
J: ja.

B1: óók als ik je een schop geef?
J: ja, mijn hele bestaan is een grote ja tegen alles. Zeg maar ja tegen het leven!

B2: ik zeg vaak ja tegen nee, hoe past dat?
J: klinkt hier volkomen logisch, hoe paradoxaal ook. Want wat betekent dat in de praktijk?

B2: klinkt hier als een groot walgelijk conflict.
J: dat je onvoorwaardelijk getuige bent van een weigering.

B2: getuige van iets walgelijks, kennelijk.
J: ja, natuurlijk!

B2: waar jij nog blij mee bent ook (dat zeg je toch?)
J: ja maar ik denk dat jij met blij een gevoel bedoelt, klopt dat?

B2: min of meer
J: met 'blij zijn met' bedoel ik: acceptatie.

B2: anders is het zo abstract.
J: dus dat er geen goed- of afkeuring is.

B2: maar je voelt er niets bij, of is het wellicht bliss of iets dergelijks?
J: ik voel er heel vaak iets bij maar mijn interesse ligt niet in dat gevoel op zich. Het is mooi meegenomen, dat gevoel van eenheid, maar als het er niet is, maak ik me geen zorgen.

B1: dus je ervaart soms een gevoel van eenheid?
J: natuurlijk, regelmatig. Maar dat is een bonus. Ik probeer niet, om die ervaring te herhalen want dat zou onzin zijn.

B1: dan raak je het juist kwijt zeker.
J: het hele proberen is hier verdwenen, snappen jullie? Ik 'probeer' helemaal niets meer

B1: maar toch is er handelen.
J: natuurlijk.

B1: dat gaat dan spontaan ?
J: gratis en voor niks, zou mijn grote vriend Jan van Delden zeggen.

B2: als jij werkelijk helemaal leeg bent, wie praat er dan nu met me?
J: je bent altijd op zoek naar een 'wie' of een 'wat'! Het komt helemaal niet bij je op dat er misschien niemand is!

B2: dat vroeg ik je nou juist!
J: waarom moet er een 'iemand' zijn?

B1: is die iemand denken? Of doen? Ik zie in ieder geval geen instantie die iets kan afdwingen
J: 'iemand' is altijd denken. Doen is gewoon doen.

B1: oké
J: ik zie ook geen instantie, maar ik ben er ook niet naar op zoek. Voor mij is dat dus geen alarmsignaal.

B2: nee oké, je zegt er is misschien niemand.
J: het is hier niet van: oh god, er is niemand, wat nu?

B2: je brengt me steeds in een gebied waar het denken stopt of bijna stopt: houvast is er niet: is dat niemand?
J: ja in de letterlijke zin van het woord wel.

B1: misschien houd dat eindeloze gebrabbel tegen je zelf dan ook op.
J: absoluut, dat kan ik je verzekeren.

B1: wat een rust.
J: zeker!

B2: maar ik zie nu zelf hoeveel woorden voorafgaan aan een momentje bijna-inzicht. Het lijkt dus een zware bevalling.
J: ja, het lijkt heel wat, maar het zit hem in dat woordje 'lijkt'.

B2: ja, dat is een heerlijk woord. Jan, hoe heb jij aanvaard dat het niks geen oorsprong heeft?
J: ik zal je vertellen: het was iets wat me overkwam, als een soort cadeau.

B2: was het niet ook een verwerkingsproces?
J: wat het ook was…

B2: opgeven van een hoop?
J: het was niet iets wat ik deed. Wat er gebeurde, was het volgende: ik ging op bezoek bij Alexander in Baarn en ik was gewoon ademloos getuige van het oplossen van alle, werkelijk alle problemen.

B2: prachtig.
J: ik had het dus niet eens tegen kunnen houden.

B2: ja, ik kan me dat dan zeker voorstellen.
J: ik wil maar zeggen, realisatie of verlichting is geen verdienste. Een cadeau is geen verdienste.

B2: cadeau zonder gever dus weer, noch ontvanger, beetje vreemd: het overkomt je gewoon op een gegeven moment?
J: ja, je kunt er niets aan doen. Als het zover is, is het zover.

B1: op een gegeven moment valt het kwartje. Ik meen steeds weer, als jij dat kent, moet dat hier uiteindelijk ook zo zijn.
J: ja, maar niet uiteindelijk; onmiddellijk!

B2: het is niet helder, hoe kan dat dan?
J: geen idee, vertel jij het maar.

B2: leuk antwoord is dat!
J: voor mij is het onmogelijk dat het niet helder zou zijn.

B2: ik vermoed dus dat jij helderheid zelf bent.
J: dus, als ik helderheid zelf ben, wat betekent dan 'niet helder'?

B2: dat verschijnt, strikt gesproken, ook in de helderheid lijkt me.
J: uiteraard! Maar dan is alles dus helder.

B2: dit is paradoxaal.
J: wat is de tegenstelling? En waarom is hij schijnbaar?

B2: niet-helderheid is eigenlijk wel helder. Dat is een schijnbare tegenstelling.
J: als een tegenstelling schijnbaar is dan is er toch geen probleem?

B2: non-dualiteit is een erg krachtig woord. Je zou zeggen, de ware betekenis is dat alles stopt. Kan een woord zoiets moois doen?
J: de ware betekenis is helemaal niet dat alles stopt. De ware betekenis is deze: je bent geen-twee en tweedehands kennis komt aan zijn einde.

B2: oké, als ik geen twee ben ben ik ook jullie, niet? Dit blijft mij fascineren.
J: ja, maar let op: er is een groot verschil tussen iemand anders als jezelf beschouwen of weten dat jij hem of haar bent.

B2: ja: kan het zo zijn dat 'iemand anders als jezelf beschouwen' een voorstadium is van het weten?
J: nee, weten kent geen voorstadium.

B2: wat ik ben dan nu op het spoor, dat geen voorstadium is? Ik heb toch ergens de klok horen luiden: het spoor.
J: niets.

B2: curieus antwoord: niets laat geen sporen na
J: klopt.