|
home > teksten
> chats
Wat wordt er geboren?
B: Ik vroeg me af wie of wat er geboren is,
maar... toen bedacht ik me dat alles nu net begonnen is. Hoe kan ik
dat onderzoeken?
J: Dat het NU wordt geboren, elk moment opnieuw,
dat kun je niet onderzoeken. Dus hou maar op met proberen.
B: Mijn perspectief is niet jouw perspectief
en toch is alles één. Shit, hoe is dat nu weer te zien?
J: Stel je leest een stripverhaal, of een goed boek.
Dan lees je daarin dat iedereen allerlei dingen ziet, ervaringen heeft,
enzovoort. Als je dan niet oplet, dan vergeet je dat dat allemaal
mogelijk is dankzij Jou, als waarnemer. Dus er is maar één perspectief
waarin andere schijnperspectieven kunnen verschijnen.
B: Oké, alleen: waarom zie ik dan hier dit
hoofd? En zie ik niet jouw hoofd?
J: Bezittelijke voornaamwoorden verdwijnen bij realisatie.
Er is dan geen mijn en jouw meer. Alles is IK. Het denken kan de gekste
dingen verzinnen, bijvoorbeeld: "Waarom zie ik nu niet de achterkant
van de maan?"
B: Wat is mijn verband met de hersenen?
J: Of: "waarom kan ik niet door de muur heen
kijken"?
B: Dat is een vraag ik snap wel je punt.
J: Wat is jouw verband met de hersenen?
B: Ja.
J: Wat is jouw verband met een boom? Wat is jouw
verband met de blauwe lucht? Wat is jouw verband met de planeet Jupiter?
B: Is dat niet iets anders?
J: Ja.
B: Als Jupiter ontploft gebeurt er niets.
J: Dat zijn allemaal "andere" dingen.
B: Als mijn hersenen ontploffen verdwijnen
mijn zintuigen.
J: Wat verandert er wezenlijk? Vergeet die zintuigen
even.
B: Als de hersenen weg zijn kan, er niets meer
gekend worden met de hersenen.
J: "Met" de hersenen?
B: Ogen zitten vast aan de hersenen, en de
andere zintuigen ook. Zonder hersenen geen zintuigen.
J: Dan zijn de hersenen dus de onveranderlijke basis
volgens jou?
B: Dat is de vraag. Het zou niet moeten kunnen
maar toch…
J: Wat zijn hersenen? Is dat niet gewoon voedsel,
het lichaam?
B: Ja maar maakt dat uit?
J: Het zijn cellen, moleculen.
B: Dat is een idee dat we nu hebben.
J: En zijn hersenen zelf dan geen idee?
B: Jawel, maar dat is juist zo gek.
J: Of is alleen hun samenstelling een idee?
B: Bestaan ze nou wel of niet?
J: Ik neem hier geen hersenen waar.
B: Nee ik ook niet.
J: Je komt er niet onderuit dat waarnemen onmiddellijk
is.
B: Nee dat geef ik toe.
J: Je kunt van alles tussen het waarnemen proberen
te plaatsen maar het lukt je gewoon niet.
B: Wacht even.
J: En dan ga je kijken aan de buitenkant. Oké ik
wacht even.
B: Die manifestatie van het waarnemen, bijvoorbeeld
dat waarnemen zich manifesteert als zien…
J: Dat is wartaal
B: Hoezo?
J: Waarnemen wat zich manifesteert als zien?
B: Ik dacht: Je hebt vijf zintuigen. Zien is
er een van.
J: Ja op die manier.
B: Zien is iets van de hersenen.
J: Waarom? Leg me die verbinding uit.
B: Als je aanvaardt dat er iets bestaat als
licht is er geen enkele reden meer om hersenen te ontkennen. Dan bestaat
alles.
J: Vind ik prima: alles bestaat.
B: Zo niet, dan bestaat licht ook niet, maar
dan bestaat er niets.
J: Vind ik ook prima.
B: Jij we.l
J: Niets bestaat.
B: Ik zit hier vast.
J: Omdat je hangt aan definities. Mij maakt het
geen zak uit hoe je het benoemt.
B: Bestaat er nu wel iets, of bestaat er niets?
J: Het zijn toch maar woorden.
B: Woorden ontstaan ergens toch?
J: Hoe definieer jij "bestaan"? wanneer
"bestaat" iets?
B: Bestaan is onveranderlijk.
J: Aha, dan bestaan hersenen niet.
B: Anders klopt er iets niet.
J: Dan bestaat licht niet.
B: Goed, wat is het dan dat ik zie?
J: Iets anders. Schijn, illusie.
B: Bestaat schijn?
J: Nee, dat lijkt maar zo.
B: Bestaat "lijkt maar zo"?
J: Nee, niet echt want het is niet onveranderlijk.
B: Jan, hier hangt toch iets het bestaat niet,
maar het is er wel.
J: Even momentje, want ik wil iets zeggen. Ik vind
je definitie van bestaan niet zo goed. Wat mij betreft is bestaan
hetzelfde als "verschijnen". Dus Descartes zat aardig in
de richting.
B: Aha.
J: Cogito, ergo sum (ik denk dus ik besta). Maar
hij miste het kardinale punt, namelijk dat je voorbij denken en bestaan
bent.
B: Ben ik voorbij bestaan? Wat mag dat wezen?
J: Voorbij en vooraf bestaan en niet-bestaan. Je
wilt een keurige beschrijving?
B: Nee dat is wat al te dol. Je verwijst naar
iets waar ik niets vanaf weet. Ik ben daar uitgeschakeld.
J: Kan dat werkelijk?
B: Voorbij bestaan, wat heeft dat met mij te
maken? Daar is noch niets. Noch iets, wat dan wel? Een antwoord is
niet mogelijk.
J: Je vraagt naar een duiding en eerst zeg je: Daar
is noch niets noch iets. Zie je het gekke daarvan?
B: Nee, niet echt, je wijst me naar een plek
die geen plek is. Tja.
J: Ja, dat doe ik zeker.
B: Verwacht je iets normaals?
J: Nee.
B: Hahaha.
J: Sowieso nooit iets normaals. Normaal, wil zeggen:
Volgens de norm. Wat is dat? Wie zal dat bepalen?
B: Dat speelt hier geen rol meer, zoveel is
duidelijk.
J: Oké, dus "normaal" is niet van toepassing.
B: Jan, dit gaat voorbij mijn perceptie.
J: Keurig.
B: Ik weet er niks van.
J: Want let goed op nu. De mind wil altijd kunnen
refereren, wil altijd een ijkpunt hebben om vanuit te kunnen gaan.
Waarom? Om die scheidsrechter recht van bestaan te geven. Om het op
een schaal te kunnen plaatsen. "Van 1 tot 10 zit ik op een 8."
En DIT heeft geen referentie. Geeft geen houvast. Is geen graadmeter!
Iedereen heeft de bek vol over vrijheid, maar ondertussen draait de
vergelijkingsmachine op volle toeren. Vrijheid is: Niet vergelijken.
Wat valt er te "vergelijken" als alles toch al gelijk is?
B: Dit is een paradox want als dat echt zo
zou zijn, wat maakt dan dat vergelijken gebeurt?
J: En wat wil dat zeggen: Een paradox?
B: De tegenstelling moet schijnbaar zijn.
J: En waarom is hij schijnbaar?
B: Dat kan ik niet bevatten.
J: Omdat de grootheden die vergeleken worden niet
werkelijk zijn. Dus je vraag zou moeten luiden: "Hoe kan het
dat ik vergelijken als iets werkelijks zie?" Dus onderzoek niet
het vergelijken op zich.
B: Oké, hoe kan dat?
J: Maar onderzoek de waarde die je eraan toekent.
B: Je noemt het woord "je".
J: Dat gebeurt nu op dit moment. Laat mij mijn plaats
in de dualiteit anders verlam je jezelf. Je kunt je guru als illusie
bestempelen, maar doe dat pas NA die realisatie.
B: Jaja, maar wie is dat dan die je?
J: Oké als je het zo wilt: die je is niets. Er is
niets te doen. Dit gesprek is onzin. Het slaat nergens op.
B: Oh, bedoel je dat.
J: Wie bedoel je met je?
B: Nou dat is inderdaad wat prematuur. Ik probeer
maar wat.
J: Wie is die ik?
B: Goeie vraag zeg.
J: Kijk dat is dus het punt en dat is ook zo leuk
van zelfonderzoek: als je als leerling "slim" gaat doen,
dan blokkeer je jezelf.
B: Eigenlijk kan het niet toch (is dit slim?)
dat er hier iemand slim doet?
J: Voor wie betekenissen geen enkele waarde hebben
ga je over betekenissen zitten praten. Zucht, daar gaan we weer…
B: Shit...
J: Kijk dit soort gesprekken kun je goed met andere
zoekers voeren. Die vinden dat vast heel leuk. Mij interesseert maar
één ding: of je ondertussen weet wat je bent, twijfelloos. Voor de
rest kan de wereld in elkaar storten. Misschien denk je dat ik een
geintje maak.
B: Nee het is mijn indruk dat je serieus bent.
J: Kun je nagaan. Het rare is, over allerlei dingen
waar veel mensen serieus over zijn, ben ik helemaal niet serieus.
En net over dat ene wat heel weinig mensen interesseert, ben ik bloedserieus.
Wolter Keers schreef ooit na zijn terugkeer uit India: "Als me
één ding is duidelijk geworden daar, dan is het wel, dat het een bloedserieuze
zaak is."
B: Het heeft iets pijnlijks dat dit serieus
is en dat ik niet weet wie ik ben.
J: Ja, maar die pijn is oplosbaar en dat is waarom
het zo serieus genomen moet worden. Leven zonder lijden is mogelijk!
B: Het idee van uitstel is heel sterk.
J: Ja dat weet ik en daar kom ik in het verhaal.
Ik sleep je er weer bij, druk je met je neus op de feiten, als het
ware.
B: Ik lijk een onafhankelijke kracht die denkt
zelf te kunnen kiezen.
J: Ja dat lijkt zo, dus kies voor dat zelfonderzoek.
B: Oké, ook al is dat kiezen voor het uitstel.
Het is een deprimerende toestand.
J: Waarom deprimerend?
B: Iets zegt mij dat het nooit morgen kan zijn.
Wat kan zelfonderzoek dan nog betekenen?
J: Leg uit waarom het nooit morgen kan zijn?
B: Het moet ook verplaatsing naar morgen zijn.
Morgen is in principe een idee.
J: Dus?
B: Ik kan daar immers nooit komen.
J: Waarom niet?
B: Dan stopt het natuurlijk, want ik zie het
niet.
J: Doe net of ik niets van Advaita weet.
B: Oké, het enige wat resteert is de vreemde
twijfel dat alles nu moet zijn terwijl dat volstrekt onbegrepen is.
J: Ik snap er niets van!
B: Nee ik ook niet.
J: Leg eens uit?
B: Ben ik zo ingewikkeld?
J: Ik kan er in ieder geval geen touw aan vastknopen.
B: Ik doe me niet slimmer voor dan ik ben.
Dat ik er ben is duidelijk, omdat er verschijnselen zijn. Is het gek
dat ik ze werkelijk noem?
J: Ja dat is heel gek.
B: Hoezo?
J: Omdat je werkelijkheidswaarde toekent aan dingen
die de hele tijd veranderen.
B: Shit, ik zie je punt. Maar dan is er opeens
niets meer over en dat is niet zichtbaar dus...
J: Dus houdt het zoeken op!
B: Bij jou…
J: Het zoeken naar iets blijvends in het veranderlijke.
Bij mij, hier maar zonder bezitter.
B: Je zegt fantastische dingen. Waar is de
opening?
J: Die is er niet. Geen opening.
B: Op een of andere manier is het zonneklaar
dat je de waarheid spreekt.
J: Omdat ik dat BEN. Ik BEN die waarheid.
B: Aan mij laat jij je zien als een reeksje
woorden achter het woord "Dutch". Is dat die waarheid?
J: Je maakt een denkfout, namelijk dat waarheid
zich op een bepaalde plaats zou bevinden en dat klopt niet.
B: Ik zal iets geks melden.
J: Ga je gang.
B: Het kan niet anders zijn dan dat ik al geheel
en al gerealiseerd ben, hoe verblind ik ook ben of spreek.
J: Zeker.
B: Dit is iets heel geks: Wie ben ik?
J: Of beter: Wie ben je niet?
B: Ja, wat jij zegt moet waar zijn. Toch is
inzicht volstrekt afwezig. Hoe kan het dat ik zit, weet, dit weet.
Wat weet ik nou eigenlijk echt? Ik constateer dat ik iets echt weet.
J: Plato zei ook zoiets, hij beweerde: "Ik
weet nu dat ik niets weet."
B: Ja!
J: Voordat hij de gifbeker dronk.
B: Hoe kan dat nou? Er is toch maar een weten
J: Nee
B: Nee?
J: Er is alleen maar weten, niet één weten.
B: Oké, dan is toch ook weten dat je niets
weet, het volledige weten?
J: Ja, dus niets en alles.
B: Waar lullen we dan eigenlijk nog over, vroeg
ik me laatst opeens af?
J: Er is geen verschil tussen niets en alles. Heel
simpel.
B: Heel simpel, zegt ie dan…
J: Ja, waarom niet. Waarom zou het ingewikkeld zijn?
|