|
home > teksten > chats
Je kunt niets missen
BEZOEKER: Je zei, dat "iets missen"
niet kan.
JAN: Klopt.
B: Dat vond ik wel een aardige.
J: Het is zo. Ik heb een aardige tijd rondgelopen
met het gevoel dat ik iets miste.
B: Ik heb dat ook.
J: Maar in werkelijkheid kun je dus niets missen
en dat is denk ik de allergrootste drempel. Zelfreali-satie wil zeggen:
Alle schepen achter je verbranden. Geen terugweg. Veel mensen houden
liever een slag om de arm.
B: Ik vraag me wel af, stel: Je gaat bijna
dood van ellende, tijdens een ziekte of zoiets. Dan is het toch een
zeer natuurlijke reflex om iets te missen. Je gezondheid, en je verlangen
om verder te le-ven en dat soort dingen.
J: Maar dat IS er dan toch?
B: Nou, dan mis je dus toch ook iets.
J: Wat dan?
B: Je verlangt bijvoorbeeld naar beter worden,
dus dat mis je.
J: Dus er is ziekte en er is een verlangen. Wat
mis je dan?
B: Tja.
J: Niets.
B: Dat is juist het missen wat je noemt.
J: Als je denkt dat je iets mist, dan ga je er van
uit dat er buiten JOU nog iets bestaat. Dat is een synoniem voor "zoeken".
Je projecteert iets buiten jezelf, maar dat kan dus helemaal niet.
B: Waar zit nou je scharnier waardoor je toch
kunt verlangen naar beter worden maar toch ook niets mist? Dat is
tegenstrijdig eigenlijk toch.
J: Ik kan er geen tegenstrijdigheid in ontdekken.
Ik ben helemaal compleet. En daarin verschijnt ziekte en een verlangen.
Ik mis niets. Ik zie wel tegendelen. Maar geen tegenstrijdigheden.
B: Waarom dan dat verlangen Jan? Dat slaat
dan toch nergens meer op.
J: Hier verschijnt de vraag waarom niet. Dat kun
je namelijk de hele dag door overal bij vragen. Mensen stellen die
vraag meestal pas bij dingen die ze niet aanstaan, maar dat is eigenlijk
best gek. Waarom zitten wij nu te chatten? Waarom heb ik een groene
tekst met een zwarte achtergrond?
B: Daar is geen antwoord op mogelijk hè.
J: Waarom is mijn nickname eigenlijk dutch? Waarom
hebben we tien vingers? Waarom geen twaalf?
B: Waarom stellen we dan waarom-vragen? Die
is helemáál erg!
J: Omdat we in de illusie van oorzakelijkheid denken
te leven. We zien verbindingen die er niet zijn. De enige verbinding
is Bewustzijn. De enige verbinding tussen golven is water. In het
taalgebruik zoals we dat hebben leren hanteren, is een reden of een
oorzaak vaak een grondslag. Ik zeg, dat een reden of oorzaak OOK een
golf is. Het is geen water, het is een golf, snap je?
B: Ja, eerlijk gezegd wel een beetje.
J: De reden voor de film zit ook in de film, oorzakelijkheid
zit in de film. Niet in het doek, niet in het water, niet in bewustzijn,
niet in jou. je bent niet iets wat veroorzaakt wordt.
B: Nee dat kan ik wel zien.
J: Noch veroorzaak je dingen.
B: Maar de vraag blijft komen "wat ben
ik".
J: En dat is je richtpunt: Wie/wat ben ik.
B: Ik kan niet een "wat" zijn.
J: Oké.
B: Ik kan helemaal niks zijn en toch ben ik.
J: Dat is een ontdekking.
B: Hier kom je dus nooit uit.
J: Hoho, je zegt net: Ik kan niet een "wat"
zijn.
B: Nee dat kan inderdaad niet.
J: Dat is een behoorlijk stevige uitspraak.
B: Meen ik.
J: Dat veronderstelt namelijk dat je dat honderd
procent zeker weet.
B: Het is een uitspraak inderdaad, wellicht
voor mijn beurt.
J: Jij mag het zeggen, vertel eens? Waarom kun je
geen "wat" zijn?
B: Nee dat weet ik niet 100%.
J: Leg uit.
B: Wat ik er tot nu toe van zie is dat alles
wat een "wat" is, het moment dat ik het zie net versche-nen
is.
J: Ja, en waarom ben je dat niet?
B: Maar ook dit is eigenlijk weer zo'n uitspraak.
J: Zeg alleen dingen die je zeker weet.
B: Dan kan ik vermoedelijk beter zwijgen.
J: Niet wat je denkt dat ik zou willen horen. Je
hoeft mij namelijk helemaal niet naar de mond te praten, zoals je
weet.
B: Dat weet ik ... Oh nee , weet ik ook niet
zeker. Ik weet niet veel zeker jan.
J: Hahaha!
B: Ja lach jij maar, verlichte mazzelpik. Ik
probeer inderdaad wel eens wat met die uitspraken. Ik zal eens kijken
of ik iets echt zeker weet.
J: Nu doen.
B: Even kijken.
J: Kijk naar je kennis. Is die blijvend?
B: Het is leuk, maar niet blijvend, en zeker
weten doe ik het niet.
J: Vergeet alles wat niet blijvend is. Al die mooie
uitspraken. Al die fijne citaten. Waar zijn ze als je slaapt? Weg
meneer. Waar is die wereld die zo echt leek?
B: Ik krijg trouwens de indruk dat ik wel zeker
weet wat ik nu waarneem. Dat ik dit nu waarneem.
J: Oké, let op. Ik ga wat zekerheden ondermijnen.
B: Ja?
J: Ben je zeker van WAT je waarneemt, of ben je
zeker van het waarnemen ZELF.
B: Nee, maar dat hoeft ook niet. Ik ben zeker
van het waarnemen zelf. Is ook wel genoeg, maar echt scherp is dit
niet.
J: Daarmee heb je het bestaan van objecten bewezen
als zijnde onwerkelijk.
B: Je gaat te snel.
J: Dan nemen we gas terug.
B: Er kan namelijk altijd nog een object komen
dat wel werkelijk is.
J: Voorbeeld?
B: Nee, dat zou dus nog kunnen komen.
J: Noem je dát werkelijk?
B: Het zou werkelijk kunnen zijn.
J: Wat is dan jouw definitie van werkelijk?
B: Moeilijke vraag.
J: We hebben het over zeker weten hè.
B: Ik zit daar mee vast.
J: Je kent mijn definitie. Ik vind het de simpelste
vraag die er is.
B: Nee, het is de kern. Wat is werkelijk? Het
is inderdaad DE vraag.
J: Wat is werkelijk, wat weet je zeker. Weet je
zeker dat de wereld morgen weer zal verschijnen als je gaat slapen?
B: Man ik weet het echt niet, echt niet. Nee
dat weet ik niet zeker.
J: Welke garantie heb je?
B: Niks natuurlijk.
J: Natuurlijk zeg je.
B: Er is geen enkele garantie op wat dan ook
dat lijkt me duidelijk.
J: Dus dan blijft er bitter weinig over wat je zeker
weet, toch?
B: Inderdaad, weinig over.
J: Het enige wat overblijft, is het onmiddellijke
zien, directe kennis.
B: Iets met zijn of iets dergelijks geef ik
wel toe. Moeilijk om daar een woord in te zien, maar ergens is dit
er toch. En dat weet je dan, maar niet die "je".
J: Ergens is een plaatsbepaling. Als ik nu kijk,
dan zie ik allerlei objecten. Eigenlijk ben ik getuige van het kennen,
wat een rare constructie is. Want het kennen kan het kennen niet kennen.
B: Goed je realiseert het je kennelijk.
J: Maar zekerheden komen dus niet uit denkbeelden.
Want als er IETS onzeker is. Dan zijn het wel denkbeelden.
B: Nee zoiets begint mij wel langzaam helder
te worden.
J: Zo discontinu als wat.
B: Het blijft spelen: Wie ben ik?
J: Tuurlijk.
B: Waar is die bron. Wat is die bron.
J: Zoals Wolter Keers ooit zei: Die vraag werkt
als een soort booreiland. En of het nu twee dagen boren is. Of 40
jaar. Dat maakt niet uit.
B: Ik meen wel eens dat hoe dieper ik kijk,
ik op zeker moment in een soort diepte val. En dat de bodem die ik
zocht niet bestaat. Gewoon niks, een leeg doosje of zoiets.
J: Is dat een ontdekking, of niet???
B: Een voorstelling.
J: Dat is toch prachtig!!!?
B: Ja het klinkt grappig.
J: Nee, het wordt later een voorstelling. Maar het
moment dat je dat inziet, is geen voorstelling.
B: Het zijn steeds flitsjes hè.
J: Dat wordt het, zodra je het wilt inlijsten.
B: Daar grossier je op een bepaald moment in,
in flitsjes. Waarom willen we dat zo graag; inlijsten?
J: Omdat we een basis zoeken in veranderlijke dingen.
B: Waarom hebben we zelfbevestiging nodig?
J: Dat is ons geleerd vanaf ons nulde jaar.
B: Jan, zijn wij die basis zelf?
J: Ja, maar dat verhaal hoor je zelden of nooit.
Hoe vaak hoor je op een dag: Het is geweldig zoals het is? En hoe
vaak hoor je dat het anders zou kunnen? Onze cultuur is streven naar
verbetering. Werken aan jezelf. Perfectioneren.
B: Weet je wat ik echt niet snap?
J: Ongelofelijke onzin. Nou?
B: Als alles een is dan is er ook maar een.
En dan is jouw verhaal ook dat ene.
J: Ja.
B: En speelt het probleem in jouw verhaal ook
niet echt.
J: Ja.
B: Dat is zo vreemd.
J: Leg uit?
B: Waar had je het dan over?
J: Wanneer? Specifiek aub.
B: Toen je zei onze cultuur is streven naar
verbetering.
J: Ja.
B: En wat dat betekent.
J: Ik luister.
B: En juist dat vind je perfect zoals het is.
Is dat niet paradoxaal?
J: Welnee. Waarom? Het is paradoxaal. Want een paradox
is een SCHIJNBARE tegenstelling.
B: Zijn we diegene aan wie iets is geleerd
vanaf ons nulde jaar? Of zijn we dat ene?
J: We zijn dat ene. Maar als je dat weet, houdt
geen enkel probleem stand. En als je dat niet weet, dan denk je dat
het anders is.
B: Nou weet, ik weet dat niet.
J: Zelfs DAN houdt geen enkel probleem stand. Maar
je denkt van wel.
B: Is alles een schijnbare tegenstelling soms?
J: Het leven laat zich kennen in een paradox (Alexander
Smit). Schijnbare tegenstellingen. Let wel: Schijnbaar. Bewustzijn
is de basis.
B: Waar is bewustzijn in droomloze slaap?
J: Nergens niet. Nooit niet. Waar is object . Niet
de basis. Wanneer is ook object. Waar en wanneer zijn tijdruimtelijk.
En dat verschijnt in Jou. In Mij. In Ons.
B: Is er bewustzijn in de droomloze slaap?
J: Alle persoonlijke voornaamwoorden slaan op hetzelfde.
Tuurlijk is er bewustzijn. Het is nooit niet?
B: Zonder reflectie.
J: Zonder objecten.
B: Wie is degene die dit niet doorziet?
J: Die is er niet. Die verschijnt alleen af en toe
in de waaktoestand.
B: Bestaat niet doorzien dan wel.
J: Als illusie bestaat niet doorzien. Tuurlijk.
B: Maar het is niet werkelijk dus? Dus niet
doorzien is zelf een illusie.
J: Ja.
B: Mooi zeg.
J: Net zoals iets WEL begrijpen je niet vrij kan
maken, kan iets NIET begrijpen je niet binden.
B: Die vrijheid.
J: Die BEN je.
B: De behoefte is zo groot om er iets van te
weten van die vrijheid.
J: Ja.
B: Dat lijkt mij willen inlijsten.
J: Dat klopt. Vandaar mijn betoog dat je niets kunt
missen.
B: Hoe/wat/waar is het dat dat opeens vrijvalt.
J: Je bent voortdurend getuige van reflecties van
die Vrijheid.
B: Wat is daarvoor nodig.
J: Daarvoor is nodig dat je alle tweedehands kennis
naast je neer legt.
B: Het gaat maar door, al die vragen naar methoden
en oorzaken.
J: En in laatste instantie zelfs wat ik je allemaal
vertel. Maar voorlopig nog niet.
B: Punt gescoord.
J: Beschouw mij nog maar even als werkelijk. Dat
is traditioneel hè. Zie alles als illusie, behalve je guru.
B: Ja. Alles als illusie zien, dat is nogal
niet wat trouwens. Dat is bijna het gekste dat ik ooit gehoord heb.
J: Ja, en dan nog een stapje verder. Niet eens:
Alles ALS illusie zien, maar: WETEN dat alles illusie is. Iemand die
weet dat alles illusie is, die hoor je er meestal niet over. Iemand
die alles als illusie ziet. Gaat dat de hele dag door roepen.
B: Is dat nog wel iemand. Oké, ik zie je punt.
Weet je wat ik nu gek vind? Alles is illusie, zeg jij mij. Dus: Ik
heb geen herkomst.
J: Hoho. Waarom niet?
B: Het verleden is de plek waar de herkomst
wordt gevonden. En dat is illusie. Het is dan dus ECHT zo.
J: Oké.
B: Dat het nooit begonnen is, dit.
J: Dus: Je komt nergens vandaan.
B: Hoewel ik dit niet zie, doet het iets geks.
J: Nooit is: niet-ooit. Het is niet-ooit begonnen.
B: Oké. Dit betekent ook, lijkt mij, dat ik
eerst ben. En dan het verhaal komt. En dan komt, wie of wat is die
ik weer boven?
J: Ja, op het niveau van tijd.
B: Nou ik bedoelde, dat bewuste is wat weet
dat "ik" niet begonnen ben. Daar ga je dan dus maar eens
een kijkje nemen. Kennelijk is dat "eerst". Wat is het?
Daar is de vraag weer, je word er moe van zeg.
J: Niet moe. Maar ik heb geen aansluiting.
B: Oh. Mijn vraag is: waar begint alles?
J: Dat is zo'n gekke vraag. Wat bedoel je precies
met "waar"? Bedoel je: Op welke plek?
B: Wat moet ik dan vragen?
J: Op welke plek begint alles?
B: Dan is het "wie ben ik"? Ik weet
geen andere meer.
J: Jij bent niet datgene waarvoor je jezelf aanziet.
Je bent Absoluut Bewustzijn. Richt je op de bron, dan vervagen alle
problemen.
B: Kijk, dan komt de vraag, waar is die bron?
Om te kunnen richten heb je een plaatsbepaling no-dig.
J: Bedoel je: Op welke plek?
B: Zo je wilt, het is een plaatsbepaling.
J: Je richten op de bron, is niet hetzelfde als
je richten op een object.
B: Als die bron zo makkelijk te zien was, deed
iedereen dit wel. Kennelijk kijken we daar juist over-heen.
J: Het is niet iets wat je in beeld kunt krijgen.
B: Jan, hoe kan ik me nou richten op een niet-object?
Dat is toch nergens?
J: Hoe kan het dat je dit kunt zeggen? Is dat geen
kennis uit de eerste hand? Wat betekent dat, dat je je richt op de
bron?
B: Ik weet niet waar de eerste hand is, kan
ik dan bepalen of de kennis daarvandaan komt?
J: Dat betekent, dat je aandacht niet lang bij objecten
blijft hangen. Dat betekent dat je aandacht niet gericht is op een
bepaald punt.
B: Ik heb die aandacht toch niet in de hand.
Kom op.
J: Dat betekent dat je aandacht zich verspreid naar
een soort multidimensionaliteit. Aha. Je snapt het al? Ik zit voor
spek en bonen te lullen.
B: Nee, ik voelde toen ik het typte dat dat
weer mis ging.
J: Je ziet al dat je die aandacht niet in de hand
hebt?
B: Je zit zeker niet voor spek en bonen te
lullen. Het was even zo'n flitsje. Maar het kan ook puur protserig
denken zijn geweest.
J: Maakt niet uit. Die aandacht wordt inderdaad
niet gericht door een iemand. En toch kun je die kwaliteitsverandering
zien in de aandacht.
B: Is jouw aandacht niet gericht op een bepaald
punt?
J: Hier is geen sprake van "mijn" aandacht.
B: Mijn aandacht is bij iets.
J: Ik zie de aandacht overal naartoe springen.
B: Oh is er bij jou geen "mijn aandacht".
J: Klopt.
B: Bij mij is er "mijn" aandacht.
J: Niets hier is "van" mij.
B: Maar het valt op dat als ik daar niet aan
denk het soms anders is.
J: Een bezitter, betekent een splitsing. Je ziet
nu, hoe sterk de gewoonte is om overal een iemand in te projecteren.
B: Ja.
J: Er moet altijd een "iemand" zijn? Waarom?
Volkomen onnodig.
B: Wat vreemd eigenlijk.
J: Wellicht. Maar ondertussen hier de normaalste
zaak van de wereld.
B: Ik heb een gekke vraag.
J: Hier gebeuren allerlei dingen zonder dat er een
iemand aan te pas komt. Stel maar, die gekke vraag.
B: Vaak raak ik opeens hogelijk verbaasd doordat
ik zie dat ik nooit in mijn eigen hoofd kan zitten.
J: Dat is een opmerking.
B: Nou ja gekke vraag, vraag is: Wie kijkt
er nu? Echt stomme vraag.
J: Wat is het antwoord?
B: Maar het is zo gek, dat ik zowel buiten,
als binnen het hoofd kan zitten, en eigenlijk overal kan zitten.
J: Omdat ruimte illusie is?
B: Ja zoiets moet er wel spelen.
J: Omdat er geen "binnen" en "buiten"
bestaat?
B: Het intrigeert me. Het verhaal van "mijn
iemand" is sterk verbonden met mijn hoofd.
J: Het aannemen van binnen en buiten betekent dat
je een scheiding aanbrengt in het zijn. Kun je mij vertellen waar
die scheiding tussen binnen en buiten zich precies bevindt? Ik bedoel:
Nu, op dit moment?
B: Ja dat is de grens van het lichaam.
J: En waar bevindt zich die?
B: Want daar stopt het zenuwgestel. Waar de
aandacht ligt. Bijvoorbeeld bij mijn hoofd of iets der-gelijks.
J: De grens bevindt zich waar de aandacht ligt?
B: Ik voel duidelijk een lichaamsbesef.
J: Ik zie hier geen grens.
B: Daarbinnen: Mijn lichaam, daarbuiten, lucht.
J: Dus geen lucht in je lichaam?
B: Maar dat zijn wel ideeën? Nee water in mijn
lichaam.
J: Hier ook lucht.
B: Maar dat is natuurlijk ook een idee.
J: Zuurstof en dergelijke.
B: Oh ja op die manier. Maar dat is dan "mijn"
lucht opeens.
J: Hier niet.
B: Ja zo stom werkt het.
J: Ja maar dat is dus gek.
B: Het is inderdaad iets van een illusie.
J: Want er zijn dus luchtmoleculen. Die je nu "iets
anders" noemt.
B: Ja natuurlijk het is inderdaad gelul.
J: En die noem je over een minuut "ik".
Zie je het absurde ervan?
B: Precies, volstrekt irreëel.
J: Nou dan vind ik het zeer reëel om te zeggen:
Ik zie hier van alles verschijnen. Een kamer, een li-chaam, gevoelens,
gedachten. Van al die dingen ben IK de getuige.
B: Ja maar jij, wie ben jij dan!? Dat is steeds
het punt.
J: Blijkbaar ben ik dus de basis van alles wat er
verschijnt.
B: En dat pikt ie hier niet.
J: De grondstof, de in- en ongrond. Bij mij gaat
het erin als koek. Volkomen logisch.
B: Hier is de behoefte groot om "iets"
te zijn.
J: Waarom niet niets zijn?
B: Bij jou is kennelijk die durf aanwezig.
J: Het is volkomen vrijheid.
B: Je kunt niet meer terug.
J: Juist.
B: Als je blijkt nep te zijn. Lijkt mij.
J: Dan heb je dus geen slag om de arm meer.
B: Shit man, je doet net alsof dit leuk is.
J: Je hebt niets meer te klagen.
B: Vind je het gek! Je bent opgeheven? Hahaha?
J: Je illusies zijn opgeheven. Klopt. Niet JIJ,
maar je valse zelfbeelden.
B: Oh dit moet zo eng zijn. Wacht even.
J: Oké.
B: Ik zie nog een uitweggetje zich vormen.
Ik zou nog dieper dan de moleculen en lucht en zo kun-nen zijn. Met
een ziel of aura of iets dergelijks. En dan is die wel binnen, en
de rest is buiten. Ik zou een "zielskern" kunnen hebben.
J: Moet je even uitleggen wat een "ziel"
is. En leg dan meteen even uit waar het woord "zielig" van-daan
komt.
B: Hahaha, dat hebben ze voor mij uitgevonden.
J: Moederziel alleen.
B: Ziel zou mijn diepste wezenskern kunnen
zijn.
J: Of Duits: Ziel is doel.
B: Dat wat mij definieert: Kerneigenschappen.
En aangezien ik inderdaad wel een soort sfeer in en om mijn lichaam
voel, is dit wellicht toch een binnen.
J: Wie neemt die eigenschappen waar?
B: Oké, ik geef toe dat het daar niet tegen
bestand is. Maar het effect van deze vraag dooft snel uit. Als ik
die vraag hoor zie ik een beetje in dat ziel gelul is.
J: Ik weet het niet. Ik weet nooit wat het woord
"ziel" nou eigenlijk betekent. En wie ik het ook vraag....
Ik heb nog nooit in mijn leven een afdoende antwoord gekregen. Ziel
is dus een verzinsel. Net zoiets als sinterklaas.
B: Kan het niet zo zijn dat er b.v. toch contact
met overledenen mogelijk is? Niet dat ik dit wil of iets dergelijks,
maar is dit echt een verzinsel?
J: Ik zie daar niets in. Waarom zou je contact met
overledenen willen? Ik zie meer in contact met levenden.
B: Het ging meer om of de ziel bestaat. Een
soort centrale identiteit.
J: Ja ik weet dus niet wat "ziel" is.
B: Ik ook niet.
J: Dus als je dat nog even uit zou kunnen leggen.
B: Kan ik niet.
J: Nee klopt. Die ervaring heb ik al mijn leven
lang, dat niemand me uit kan leggen wat "ziel" betekent.
|