Advaita Vedanta |
|
Over angst voor de doodBEZOEKER: De angst voor de dood wijkt pas als
de persoon verdwenen is. B: Gokje. B: Nee. Jan, ik weet niks. B: Soms maak ik me zorgen over het feit dat
er in de tijd een eeuwigheid voor en na dit leven is. B: Een soort absentie van mezelf voor altijd.
Het idee vind ik griezelig dat je voor altijd afwezig zou zijn. B: Ja het is ook irreëel, maar daarmee niet
weg. Kijk, je kunt zeggen: Als je dood bent heb je er ook geen weet
van. B: Blijkbaar is er weerstand naar niet-bestaan. B: Terwijl het bestaande helemaal geen grondige
basis biedt. B: Is de mens dan zo gewend geraakt aan zijn
benauwde mensbeeld, dat de benauwenis loslaten beangstigend op hem
werkt? B: De nalatenschap van de zoeker. B: Hoe meer men met niets bezig is, hoe meer
men niets word? B: Even terug naar voorgaande. B: Wat is er dom aan angst voor dood? Voor
niet bestaan? Verdwijnen? B: Dat laatste herken ik. B: Het is dus al een feit die dood bedoel je. B: Zich op een onverklaarbare wijze op de andere
oever bevinden, zei Jiddhu Krishnamurti. B: Bodemloosheid? B: Is je-bent-niet de onderliggende waarheid
van ik-ben? |